Een andere Mohammed

Woord vooraf

Lang heeft het Westen geloofd, dat het christendom het laatste woord had inzake beschaving en godsdienst. Het mensdom werd door Christus verzoend met God, en zou uiteindelijk door Hem geoordeeld worden. Dat was de officiële waarheid. Onlangs werd datzelfde Westen echter geconfronteerd met een oude bekende, maar sinds geruime tijd vergeten mededinger van het christendom, de islam.

Mohammed werd weliswaar nooit als een ernstige rivaal beschouwd om definitief te gaan wegen op de wereldbeschouwing van het Westen. Hij bleef wat hij eens geweest was, een Arabisch fenomeen, een typisch Oosters en dus voor ons begrensd verschijnsel. Toch heeft de immigratie uit de islamitische landen zulk een invasie teweeggebracht van compleet vreemde gedrags- en denkpatronen, dat zij een schok veroorzaakten. Daarbij waren het niet alleen gebruiken die verschilden, maar ook de volledige godsdienstige en zelfs maatschappelijke referentiekaders.

Christus, die  centraal stond, werd nu slechts een profeet tussen andere  profeten, soms zelfs volledig verdrongen door Mohammed, die  in de koran de goddelijke openbaring meedeelde en zijn  eigen godsdienstige gebruiken en wetten formuleerde. Daarbij zijn de verschillen met het christendom niet zo  oppervlakkig: er is de polygamie, er is de heilige oorlog,  er is de verschillende seksuele moraal, het verbod op alcoholische dranken, de dagelijkse en heel typische  gebedsgedragingen (de salat.), raka` prosternatie; maar er is bovenal het streven van de islam naar de verwezenlijking van de godsdienstige éénheidscultuur volgens de wetten van de koran. Dat godsdienstige fundamentalisme omvat het fanatieke benadrukken van de uitsluitende waarheid en superioriteit van die koran en van de islamitische wetgeving.

Voor de islam is elke vernieuwing, elke afwijking van de wetten van de koran erger dan een dwaling, het is een zonde, een misdaad Daarbij wordt impliciet de volledige evolutie van het recht en van de samenleving in het Westen genegeerd en afgewezen, en daar zijn dan vooral de vrijheid van godsdienst en meningsuiting of de emancipatie van de vrouw patente voorbeelden van. Daarom is de islam een probleem voor het Westen. Het is voor een stuk een terugkeer naar voor de moderne westerling verouderde en verlaten denkpatronen, die hij als middeleeuws ervaart. Tegelijkertijd betekent de ontmoeting met de islam ook een uitdaging, omdat die compleet achterhaalde denkbeelden toch nog een aantrekkingskracht blijven uitoefenen op miljoenen mensen en hun ideeënwereld fel beperken. De confrontatie van deze beide werelden is één van de prangendste problemen van de psychologie. Ik dank alle specialisten, oriëntalisten en artsen, die hun opmerkingen meedeelden en zodoende bijdroegen tot dit werk. Met dank aan de uitgeverij Mosby (St Louis, Illinois) voor de toelating tot reproductie van de afbeeldingen uit G.T. Tindall, Disorders of the Pituitary

Inleiding

Voor de psychologie stelt de islam twee problemen:

het eerste: wat is de essentie van de islam, in welke mate hangt die samen met de psychologie van Mohammed, en derhalve welke zijn daarin de blijvende waarden en welke de bijkomstige tijdsgebonden elementen?

Door sommige breed- en moderndenkende moslims wordt daarenboven nog een andere vraag gesteld. Welke elementen hebben islam, jodendom en christendom gemeenschappelijk? Kunnen wij komen tot een gezuiverde religie, die al deze godsdiensten omvat en de basis zou kunnen vormen van een gemeenschappelijk godsdienstig aanvoelen?

Ook sommige christelijke theologen (Küng) denken anders: Zou men het niet zo kunnen opvatten, dat Mohammed in Gods plan dezelfde functie vervulde als de andere profeten uit het Oude Testament en als taak had het Arabische volk gevoelig te maken voor het monotheïsme?

Dat wordt waarschijnlijker, omdat naar-ons-aanvoelen bedenkelijke zijden van het karakter en het gedrag van Mohammed ook in het Oude Testament schering en inslag  zijn; denk aan Mozes, Joshua en anderen, die oorlog voerden en de overwonnenen niet spaarden. Als men er van uitgaat, dat de oudtestamentische profeten echte godsgezanten zijn, dan ziet men niet goed meer in, waarom Mohammed dat ook niet zou kunnen zijn.

Vervelend is alleen het feit dat Mohammed zo radicaal ontkent dat Jezus Gods zoon is en zo, gezien vanuit het christendom, zich opstelt als de aartsketter. Hetzelfde bezwaar geldt trouwens voor het jodendom, dat een andere Messias blijft verwachten en ontkent dat Jezus dat zou zijn en tegelijkertijd ook  Mohammed verwerpt. Op het gebied van het dogma is verzoening dus duidelijk niet mogelijk; overeenkomst nastreven is hetzelfde als de quadratuur van de cirkel zoeken. Zelfs abstractie gemaakt van het dogma is het aartsmoeilijk om een spiritualiteit op te bouwen uit de gemeenschappelijke elementen van die godsdiensten, want daar ook stoot men op onverzoenlijke tendensen van de onderliggende dynamismen.

Een van de belangrijkste is het exclusivisme van al die godsdiensten. Alleen Allah en zijn profeet, zal de moslim zeggen. Alleen Mozes en de Thora zal de jood zeggen. Alleen Christus en zijn Kerk, zal de christen zeggen.

In de Grieks-Romeinse godsdienst was elke god welkom, hij kreeg zijn plaats in het Pantheon. De bijbel integendeel sluit alle andere goden uit. Er is maar één God, en dat is de ware; al de rest zijn afgoden. Oorzaak van dit exclusivisme is het onvoorwaardelijke en blinde geloof in de kerkelijke leiders, de blinde gehoorzaamheid aan bisschoppen, rabbijnen en imams, die niet mogen afwijken van de oorspronkelijke orthodoxie en die daardoor elke rationele ontwikkeling blokkeren.

In het Westen is er niettemin zware en gegronde kritiek ontstaan op dit geloof en die gehoorzaamheid. Het is immers logisch beschouwd compleet onmogelijk dat alle godsdiensten tegelijk de volledige en enige waarheid zouden bezitten. Ernstige studies hebben duidelijk gemaakt dat vele godsdienstige 'waarheden', eigenlijk geen waarheden maar legenden en mythen waren, en een reeks dogma's alleen maar onhoudbare en soms zeer schadelijke waangedachten, die de intellectuele ontwikkeling van het mensdom erg vertraagden. Daarbij groeide ook de overtuiging, dat het vertrouwen waarvan de kerkelijke en andere godsdienstige overheden genoten absoluut niet gerechtvaardigd was, integendeel. Heel recent heeft het verschijnsel van het parasitisch vermenigvuldigen van allerlei sekten, waarvan zonder meer bewezen werd dat het zuivere oplichterij was, veler ogen geopend

Toch blijven bij gebrek aan adequate voorlichting en duidelijk inzicht in vele geesten van gelovigen nog veel open vragen, veel duistere plekken, veel zwarte gaten. Als het christendom het al zo moeilijk heeft wegens de eeuwenoude tradities, als men voor het jodendom zulk een inhibitie ervaart, des te meer omdat deze ook op racistische en nationalistische basis gestoeld is, zal een minder bekende godsdienst waarvan men niet goed weet wat men er aan heeft, wegens de relatieve ruimtelijke isolatie en beperking ervan, het nog moeilijker hebben.

De islam is die godsdienst, waarmee het Westen nu geconfronteerd wordt en die het zo weinig aanvoelt, als zo vreemd en dreigend ervaart, dat het er zich enerzijds met zijn democratische beginselen op een onhandige wijze tegen verzet en anderzijds geïrriteerd raakt door het voortdurende onbegrip in de wederzijdse betrekkingen.

Vandaar de chaotische diplomatie, de talrijke inconsequenties in de politiek, en de verwarring in de geesten. De fundamentele reden daarvan ligt in het gebrek aan exacte benadering, klare logica en duidelijk denken. Meestal ontbreekt het ook aan elk diepgaand begrip.

In dit werk trachten we meer duidelijkheid te scheppen.

Een tweede probleem is het volgende: Hoe komt het dat de islam zo'n aantrekkingskracht heeft uitgeoefend, en nog blijft uitoefenen op miljoenen gelovigen? Hoe is het verklaarbaar dat iemand als Mohammed er toe gekomen is, zich niet alleen een kring van gelovigen te vormen, maar bovendien aan de oorsprong te liggen van het stichten van een rijk , dat een van de machtigste werd van zijn tijd? Waar is de drijvende kracht, de basis-energie, de sleutel van die expansie, van die radicale omvorming van zovele geesten, van die vaste overtuiging? Is er in de islam, vergeleken met het christendom, meer innerlijk vuur, meer inwendige kracht? Is Mohammed een betoverender figuur dan Jezus van Nazareth? Of is alles gewoonweg een gevolg van de intellectuele onderontwikkeling van een reeks volkeren, die nooit de Verlichting hebben gekend, de rationele kritiek en slechts met mate de moderne universitaire cultuur, en zelfs voor een groot deel bleven steken in een graad van ongeschooldheid en onwetendheid.

Niettegenstaande ze ongetwijfeld een zekere eigen cultuur hadden, werden ze meer vergeleken met de doorsnee Westerling, al is die ook gemiddeld niet zeer goed geïnformeerd en onderhevig aan heel wat intellectuele dwaling en verwarring. Veelal wordt de dialoog, voor zover men daarvan kan spreken, tussen godsdiensten of sekten als een ideeënstrijd gezien. Men stelt geloofsbelijdenissen op, men vaardigt wetboeken uit, men stelt beginselen voorop. Daarvan wil men niet afwijken. Men wil gelijk hebben en veroordeelt alle anderen. Meestal verwaarloost men daarbij het onderzoek naar de oorsprong en wel de menselijke oorsprong van die ideeën. Tenslotte is de islam ontsproten uit het brein van Mohammed. Welnu hoe stond het met dat brein? Wat ging daarin om? Deze vraag kunnen we nu eindelijk beantwoorden, dank zij de vooruitgang van de psychologie, de psychopathologie en de psychofysiologie.

Eerste Hoofdstuk: Geschiedenis of mythe

Iedereen weet dat geschriften en traditionele verhalen over beroemde of beruchte personen veel legende bevatten. Het is soms heel moeilijk waarheid van leugen te onderscheiden. Zo komt het, dat ook over Mohammed, alhoewel hij dan in de tijd dichter bij ons staat dan een figuur als Christus en er relatief veel meer over hem geweten is, toch een waas van geheimzinnigheid blijft hangen.

Zowel bij Jezus van Nazareth als bij Mohammed zijn we slechts redelijk zeker over de hoofdlijnen van hun bestaan. Als we heel streng willen zijn kunnen we zeggen dat we alles wat we over deze twee figuren met echte historische zekerheid weten rustig op een kleine briefkaart kunnen schrijven.Zaid ibn Thabit suhuf

Dat komt omdat we buiten laattijdige en bevriende bronnen eigenlijk maar over weinig of geen onafhankelijke getuigenissen van tijdgenoten beschikken. En toch hebben we de indruk dat ze ons zeer nabij zijn, soms levendig voor ogen staan dank zij de schilderachtige en menselijk rijke benadering in de talrijke tradities, die ons werden overgeleverd. Natuurlijk werden beide figuren daarin geïdealiseerd: wonderen en hoedanigheden werden hun toegeschreven, om ze goddelijker of belangrijker te maken. sira. Dat belet niet, dat bepaalde feiten, bepaalde verhalen toch een stempel van authenticiteit dragen. Wie de negen boekdelen van het werk van Al- Bukhari (a. 870) doorleest, die vooral hadiths ofwel gezegden van en over Mohammed bevatten, heeft sterk de indruk dat ze voor een groot deel authentiek zijn. We vinden daar alle details over Mohammed, niet alleen over zijn uiterlijk verschijnen, maar ook over hoe hij zijn gebeden deed, hoe hij een bad nam, wanneer en hoe hij zich waste, hoe hij zich gedroeg als Aisha, zijn geliefde hoofdvrouw, maandstonden had, hoe Aisha en hij zich na de geslachtsbetrekkingen wasten met het water uit één pot en dergelijke

We krijgen ook een idee over allerlei opvattingen en beslissingen van Mohammed, niet alleen over dagelijkse en banale dingen, maar ook over de grote beginselen van de islam. Natuurlijk vinden we er ook een portie mythologie in, zoals de wolf die spreekt, de palmboom die begint te kreunen, zoals de wonderbare vermenigvuldiging van voedsel en dadels, maar het is eenvoudig om die verhaaltjes eruit te halen.

Maar waarom zouden de hadiths leugens bevatten als ze ons Mohammed afschilderen als een heel bijzonder uitziend man zoals er geen andere te vinden was

Hij was een man van middelmatige gestalte, breed geschouderd, die dus een atletisch lichaamstype (mesomorf) had. Tussen de schouders had hij het zogenaamde zegel van de Profeet: een soort grote wrat als een duivenei, dikbehaard, en donkergeel.

Hij had grote handen en voeten, maar zacht aanvoelende handpalmen, lange armen en stevige dikke kuiten.

Wanneer hij lang gestaan had, waren zijn voeten gewoonlijk opgezwollen.

Hij had een groot hoofd, een dunne hals, een breed voorhoofd, en een rond aangezicht.

Zijn gelaat was niet erg wit, maar ook niet donker getaand, eerder iets rozig. Daarin blonken grote zwarte ogen, die nochtans iets rood hadden (ze waren ontstoken (conjonctivitis ?) en waterig). Zij werden overbrugd door lange wimpers en brede wenkbrauwen, die bijna ineengegroeid waren. Een lange neus en een brede mond zonder snor, hier en daar een grijs haar onder de lip, dat hij trouwens rood kleurde, vloeiden over in een dikke volle baard die zelfs zijn nek bedekte en reikte tot aan zijn oren. De witte haren in zijn baard kon men gemakkelijk tellen. - Een grijze baard kon men namelijk rood, geel of blauw kleuren, maar niet zwart. Bij de verrijzenis zal Allah diegenen die hun baard zwart kleurden niet eens een blik gunnen, zei hij. - Zijn oren waren goed ontwikkeld. Die kon men zien onder het kort golvende haar, dat niet te zeer gekruld en ook niet stijf was.

Hij was corpulent, en de borst en buik bereikten ongeveer dezelfde prominentie "Ik ben corpulent geworden", zei hij, "dus doe mij niet teveel staan (qiyam), niet teveel buigingen doen tijdens het gebed (raka) en niet teveel prosternaties (sudjud)".

Hij zweette zodanig dat de druppels paarlen leken. Zijn transpiratie had ook een eigen geur, sterker dan muskus.

Zijn lichaam was behoorlijk behaard: er was haar op zijn schouders, zijn armen en de uitstekende delen van de borstkas; van af zijn sleutelbeen tot de onderbuik had hij een brede strook beharing. Het leek wel een een vertakte boom.

Zijn oksels en zijn lenden waren wit. De beharing van de schaamdelen epileerde hij met eigen hand.

Zijn gang was als van iemand die van een berg naar beneden stapt. Hij liep enigszins gebogen.

Ook zijn blik was meestal naar beneden gericht. Als hij zich keerde, draaide hij heel zijn lichaam

Hij sprak traag, met pauzes, zodat iedereen die hem hoorde gemakkelijk kon onthouden wat gezegd werd. Zijn stem was niet melodieus, doch eerder schril.

Hij had een slepende ziekte, en paste daarvoor zijn eigen medicatie toe: aderlating met name via twee aders van de zijkant van de hals en een in de achterkant van de nek, of in het midden (?) van het hoofd. Mohammed raadde dit iedereen aan als een remedie tegen hoofdpijn, tandpijn, slapeloosheid en ziekte, zelfs mogelijk geestesziekte. Hij leed dus periodiek aan hoofdpijn.

Hij zat gewoonlijk op zijn hurken. De maaltijd genoot hij opgericht, niet liggend zoals de rijke lui. Hij had graag kussens of een peluw van schapevacht. Hij voedde zich hoofdzakelijk met brood, dadels en olijfolie, en soms vlees (schapen, geiten en kamelen). Hij zou niet eten van als aalmoes gegeven voedsel, alleen als het als geschenk werd aangeboden. Hij reed gewoonlijk op een ezel of een witte muilezel.

Hij droeg gelapte schoenen, of simpele laarzen en herstelde zelf zijn schoenen en lapte zijn kleren. Dat belette niet dat er verteld wordt dat hij later eens een kleed kocht ter waarde van 29 kamelen. Hij ging zelf winkelen. Zijn hemd was van katoen, - hij bezat twee groene hemden, - toch droeg hij naast Syrisch bedrukt katoen ook zuivere zijde. Een van zijn hemden kostte één gouden dinar. Zijn hemd was eerder kort: vier ellebogen lang en twee ellebogen en een hand breed. Zijn mantel was wit, rood of saffraankleurig geel. Bij de intrede in Mekka droeg hij een zwarte tulband. Hij deed zijn gebeden en had daarbij slechts één kleed aan, nl. zijn slaapkleed, dat hij ook aanhield tijdens de seksuele betrekkingen. Hij droeg het onder de arm en dan over een schouder geslagen. Aan de vinger had hij een zilveren zegelring met de inscriptie: Mohammed, boodschapper van Allah. Hij was steeds zeer decent in zijn algemene houding en zijn woordgebruik.

Bepaalde uitingen van Mohammed zijn pittig en duidelijk, niet bedoeld om te stichten. Men sprak bij voorbeeld in aanwezigheid van de Profeet over een man, zeggende dat hij niet opgehouden had te slapen tot de volgende morgen zonder op te staan om het gebed (de salat) te doen. De Profeet antwoordde daarop: "De duivel heeft hem in het oor gepist.

Hij had een zacht karakter, was nooit brutaal of hard. Hij was eerder verzoenend en vergevensgezind. Hij maakte geen lawaai op de markt. Hij zei nooit neen; hij zei ofwel ja, ofwel zweeg hij. Als er iets lachwekkends werd gezegd, glimlachte hij eerder.

Hij zou nooit iemand of iets geslagen hebben behalve wanneer hij ging vechten voor Allahs zaak.

Zijn wapens waren afkomstig uit de buit. Zo was er zijn zwaard (dhu al faqar) met zilveren hecht, buitgemaakt in de slag bij Badr, een schild met de afbeelding van de kop van een ram, buitgemaakt op de Kainuka-joden en een drietal bogen en speren van dezelfde oorsprong.

De woningen van zijn vrouwen waren opgetrokken uit gedroogde bakstenen, de binnenmuren bestonden uit palmtakkenloof, bepleisterd met aarde; voor de deur hing een zwart haren gordijn.

Dat is het beeld dat de traditie ons van Mohammed achterliet, en we zien niet in waarom het onbetrouwbaar zou zijn. Als we geschiedenis bestuderen, dan maken we eerst een studie van de bronnen. Wij vragen ons af: Over welke bronnen beschikken we, hoe betrouwbaar zijn ze?

Over Jezus van Nazareth en over Mohammed beschikken we niet over directe echt historische rapporten, slechts over nadien opgetekende orale tradities van gelovigen. Het is alsof we in een assisenproces alleen beschikten over getuigenissen ten ontlaste van vrienden en kennissen van de verdachte zoals die in de krant worden weergegeven. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat daarin ook niet veel waarheid kan schuilen. Het probleem ligt alleen in het toetsen van het waarheidsgehalte. De traditionele historische kritiek en tekstkritiek beschikt over een zekere ervaring met historische teksten. Zelden komt men echter tot definitieve besluiten; men blijft veelal achter met ernstige twijfels, die men dan naar gelang de persoonlijke aanleg en voorkeur zal beslechten. Daarom waren historische studies dikwijls vrijblijvend, en gaven zij soms zeer uiteenlopende visies op de personages die zij behandelden. Bovendien zijn er in de godsdienstige figuren zoals Christus of Mohammed steeds twee aspecten: er is het historische en er is het gelovige aspect.

De Christus of Mohammed van het geloof is niet de Christus of Mohammed van de geschiedenis. De gelovige transformeert immers het object van zijn geloof tot een ideaal, zoals hij dat zich voorstelt of droomt. Zo werd de Christus van het geloof het zoeterige Heilig Hart en de hemelse bruidegom voor de kloosterzusters, terwijl de historische Christus integendeel droomde van de bloedige en definitieve vernietiging van het Romeinse Rijk.

Mohammed werd de wijze wetgever, de schrandere diplomaat, de geniale legeraanvoerder, en vooral de Grote Profeet. In de moslimfolklore is er het getuigenis van de gazelle, de wolf, de salamander, de kat, die spreken of getuigen voor de Profeet. Hij is de zoete prins, de bruidegom, de wolk van barmhartigheid, het zegel van het profetendom; hij verenigt het wetgevend gedrag van Mozes met de beminnelijkheid van Jezus om zo een model te zijn voor het mensdom.

Tot diep in de moderne tijden was Mohammed ook een soort incarnatie van de duivel, een pseudoprofeet, een bedrieger. In de christelijke literatuur werd Mohammed bovendien voorgesteld als oorlogs- en roofzuchtig en seksueel bandeloos. Christelijke auteurs leggen de nadruk op het feit dat hij 'ummi' was, een ongeletterde, gemakkelijk misleid door twijfelachtige godsdienstige personen, joodse en christelijke ketters.

Djinn djahannam sura Moslims argumenteerden daartegen: Was Mohammed een ongeletterde, dan was de goddelijke oorsprong van de koran bewezen, want alleen God kon hem dan geïnspireerd hebben.

In de moderne tijden kwam een ander beeld van Mohammed op de voorgrond: Mohammed was de veroveraar, de wetgever, de bescheiden en tegelijk fanatieke priester. Voltaire schilderde hem zo af, terwijl hij eigenlijk de geestelijkheid van zijn tijd viseerde.

Mohammed werd ook voorgesteld als de profeet- moordenaar en tegelijk de edelmoedige verzoener. Was hij dat ook in werkelijkheid?

Wil men nu min of meer de zuivere waarheid benaderen, dan zijn er technieken en methodes nodig die ons toelaten met een grotere relatieve zekerheid te opereren. In de psychologie zijn recent twee methodes van onderzoek ontwikkeld die niet helemaal nieuw zijn, maar die, nauwkeuriger en met meer inzicht toegepast, toelaten met grotere zekerheid en wetenschappelijkheid te werk te gaan. De eerste methode steunt op de verworvenheden van de psychopathologie. Deze is een wetenschap die de symptomatologie van de geestesziekten beoogt te classificeren en ze beschrijvend te identificeren. Na een zeer vroege aanzet in de Griekse Oudheid, waaraan ze een deel van haar terminologie trouwens te danken heeft, werd zij vooral ontwikkeld in de late 19e en begin de 20ste eeuw. In de Oudheid kende men al geestesziekten als de epilepsie, de manie, de paranoia. Het is nochtans pas in de 20ste eeuw en dan vooral na 1950 dat de psychopathologie een degelijke wetenschap werd. Deze wetenschap is totaal onafhankelijk van oude teksten en oordeelt volgens moordenaar en tegelijk de hedendaagse criteria. Zij kan dus als een onafhankelijke maatstaf gehanteerd worden. Als in oude teksten syndromen worden beschreven, die, hoewel toentertijd onbegrepen, voor ons identificeerbaar zijn doorheen de soms onhandige verwoordingen van de tijdgenoten, dan zijn we zeker dat deze getuigen iets beschreven dat ze in werkelijkheid hadden gezien. Een heel treffend voorbeeld is de merkwaardige en heel nauwkeurige beschrijving van een kinderlijke epilepsie in het evangelie van Marcus. Het 'door de duivel bezeten' kind leed aan een complicatie van een perinatale oorontsteking, die een thrombo-flebitis in de hersenen veroorzaakte. Deze was de rechtstreekse oorzaak van de epileptische toevallen. De tekst van Marcus geeft alle details om een dergelijke diagnose te stellen: niet alleen de volledige symptomatiek van een epileptische aanval wordt correct vermeld, nl. de initiële kreet, de stuiptrekkingen, het schuim op de mond, en tenslotte de cyanose of het blauw of lijkbleek worden, maar ook de etiologische elementen ontbreken niet: van bij de geboorte leed het kind aan bewustzijnsverlies (het viel zomaar in het water of in het vuur), het was doofstom (wat wijst op een oorontsteking).

Voor historische personages worden rechtstreekse getuigenissen veelal vervangen door onrechtstreekse tradities, die bij het overleveren bepaalde transformaties hebben ondergaan. Dit maakt de taak van de historicus bijzonder complex en delicaat, want nu moet hij ook kunnen onderkennen op welke wijze en in welke mate bepaalde tendensen de gegevens vervormd hebben. Natuurlijk bestaan hier ook bepaalde gewoonten: schandalige, aanstootgevende, minder fraaie elementen worden verdoezeld; wonderen, verbazingwekkende evenementen worden verdicht, bijgevoegd en verzonnen, soms met ergens een basis in de werkelijkheid, en dat maakt het niet altijd gemakkelijk. De ervaring heeft ons geleerd een deel van deze elementen wegens bepaalde kenmerken onmiddellijk als verzonnen te catalogizeren, terwijl andere elementen de kenmerken vertonen, die ze ons als eventueel authentiek kunnen laten herkennen. Zo zijn er in bepaalde wonderverhalen een aantal clichés, die onmiddellijk duidelijk maken dat het om vervalsingen gaat, zoals het stralend witte licht bij de verschijningen van engelen.

Anderzijds zijn er soms details vermeld, die wegens hun concrete irrelevantie alleen kunnen stammen uit rechtstreekse waarneming. Het epileptische kind bij Marcus krijgt een crisis bij de ontmoeting met Jezus. En dat is een element waarin de deskundige onmiddellijk het ware karakter van die epileptische crisis erkent: zij wordt uitgelokt door een emotionele gebeurtenis zoals de confrontatie met een onbekende profeet.

Uit ervaring weet een deskundige welke elementen speciaal herinnerd en opnieuw vermeld worden door een echte getuige, en welke als ingebeeld moeten worden beschouwd. De zekerheid van dit inwendige criterium is weliswaar niet zo groot als de zekerheid van het uitwendige criterium der psychopathologie, toch laat het soms toe heel scherp onderscheid te maken tussen verscheidene verhalen. Men weze gewaarschuwd tegen een eigenaardige wijze van redeneren van bepaalde `geleerden', hetzij historici, hetzij medici. Zij gaan ervan uit dat de ons bewaarde tradities vrij laattijdig opgetekend werden, dat zij moeilijk te controleren zijn, en dat sommigen duidelijk behoren bij de mythologie. Op basis van dergelijke onzekere gegevens een diagnose opstellen lijkt zuivere onzin. En dus, zeggen ze, kan een diagnose geen enkele wetenschappelijke waarde hebben. Zij vergeten daarbij dat zij zelf uitgaan van een onbewezen en betwijfelbare stelling, namelijk dat alle gegevens in de bronnen onjuist en onbetrouwbaar zouden zijn. En vanuit dergelijke onbewezen stelling trekken zij hun conclusie. Met een dergelijke valse redenering kan men natuurlijk onwetende en onnozele lezers om de tuin leiden.

Want waar gaat het om? Ten eerste bewaart de traditie een aantal al dan niet betrouwbare gegevens, dat is een onomstootbaar feit. Ten tweede beschikt de moderne wetenschap over een grote informatie betreffende allerlei ziekten. Die informatie-elementen noemen we symptomen. Deze bundelen zich in syndromen. Als een arts een diagnose stelt, dan tracht hij doorheen de symptomen het syndroom te vinden dat onthult met welke ziekte hij te doen heeft. Tot onze verbazing stellen we nu vast, dat de feiten die de tradities ons overleveren nauwkeurig overeenkomen met de in de moderne wetenschap gekende symptomen en syndromen. Welnu als deze tradities zo exact de feiten schilderen, DAN ZIJN ZE OOK BETROUWBAAR. Het bewijs van hun betrouwbaarheid wordt geleverd door hun strikte overeenkomst met de moderne wetenschappelijke criteria. En op die betrouwbare gegevens kan men een diagnose vestigen. In de logica noemt men deze procedure inductie. Het is door inductie, die uitgaat van de feiten, dat de wetenschap opgebouwd wordt. (Meestal gebeurt dat niet door deductie die uitgaat van abstracte beginselen.)

We vertrekken dus van de zekerheden van de moderne wetenschap, die symptomen en syndromen kent als indiciën van ziekten. Vanuit dat zekere criterium beoordelen we de gegevens van de traditie, om vast te stellen dat ze volmaakt overeenkomen, en DUS betrouwbaar zijn. Gewapend met deze supplementaire criteria zullen we nu vragen tegemoet gaan als:

Wat bewoog Mohammed om te worden wat hij geworden is?

Welk psychisch proces heeft zich bij hem voltrokken en wat is de juiste aard van dat proces?

Mohammed is een figuur, tegenover wie men niet onverschillig blijft, ook niet als men geen Arabier is. Hij incarneert een Godsgeloof, een moraal, een levensbeschouwing, een brok cultuur, die enerzijds in het verlengde liggen van de joodse en de christelijke godsdienst en anderzijds er zich scherp van onderscheiden, en dat op essentiële punten. Men zal tevergeefs de verklaring zoeken van Mohammeds invloed in zijn leer : ook de joden kenden het monotheïsme, ook zij kenden de polygamie, joden en christenen bezaten heilige boeken, waaruit zij wijsheid putten, de christenen geloofden in een uiteindelijk laatste oordeel, in een hemel en een hel.

Het is slechts als Mohammed verklaart de engel Gabriël gezien te hebben, een openbaring gekregen te hebben en tot Profeet bevorderd geweest te zijn, dat er beweging en reactie komen in zijn volk.

Net als Jezus van Nazareth wordt hij in den beginne aangezien als een krankzinnige, bezeten door de duivel of door een djinn. Sommigen noemen hem een waarzegger of een tovenaar.

Meer nog: in het allereerste begin twijfelt Mohammed aan zichzelf en staat hij op het punt zelfmoord te plegen. Hij gelooft in de djinns en neemt aan dat zij die waan veroorzaken. Zoals Jezus in de woestijn maakt hij een crisis door. Zoals Jezus doorstaat hij deze crisis, herwint zijn zelfvertrouwen en predikt zijn uitverkiezing. Jezus predikt de komst van het Rijk Gods, want hij is de Mensenzoon, Mohammed predikt de openbaring van de koran, want hij is de Profeet. En dat was nieuw. Steeds weer zien we in de geschiedenis van de godsdienst dat er profeten opstaan, die beweren dat ze een zending gekregen hebben van God zelf : Abraham, Mozes, Isaja, Jeremia, Ezechiël, Daniël, Henoch, Jezus, Baruch, Ezra, Johannes, Mohammed en dichter bij ons Swedenborg, Smith, Lou de Palingboer en vele anderen.

Tegelijk groeit het besef dat voor een deel van deze `roepingen' een psychopathologische verklaring voor de hand ligt. Het is immers een vast gegeven van de psychopathologie dat de geestesziekte zich dikwijls manifesteert door de plotse openbaring aan de betrokkene van een wereldwijde roeping door God zelf. Deze kan gepaard gaan met visioenen, met het horen van stemmen, met het ontvangen van bevelen. Kortom, het is voor de betrokkene, maar ook voor diegenen, die hem omringen, een fantastische, sensationele belevenis. Om een voorbeeld te kiezen dat dichter bij ons ligt, Emmanuel Swedenborg (1688-1772), natuurvorser en technicus, krijgt op 57-jarige leeftijd hallucinaties en waanideeën. Hij vertelt over zijn omgang met engelen en geesten. "Het was mij toegelaten met engelen om te gaan en met hen te spreken van man tot man, en zo te zien wat er in de hemel en de hel is, en dat nu al dertien jaar; en wat ik gehoord en gezien heb is mij toegelaten te schrijven." Sinds 1736 beleeft Swedenborg visioenen in waaktoestand, sinds 1744 Christusvisioenen en in 1745 krijgt hij de overtuiging dat hij volledig verkeer heeft met de wereld der geesten. Hij wint meteen miljoenen volgelingen. Algemeen wordt hij door de wetenschappelijke wereld al spoedig als geesteszieke aangezien, meer bepaald als een paranoialijder.

Maar niet alle profeten worden zo vlug herkend als zieken. De boodschap van Henoch, de vermoedelijke Leraar der gerechtigheid voor de sekte der Essenen (� 100 voor Chr.), verschilde niet veel van die van Swedenborg. Ook hij mocht zien wat in de hemel en de hel gaande was, hij werd door engelen begeleid doorheen het heelal en had een ontmoeting met God, waarin hij vernam dat hijzelf de Uitverkorene was. Hij beleefde zichzelf als de Mensenzoon die alle bozen zal oordelen.

K. Jaspers, de psychopatholoog en fenomenoloog, beschreef heel nauwkeurig de typische belevenissen van dergelijke zieken: het zijn metafysische openbaringsprocessen met kosmische draagwijdte die zij ervaren. De zieken maken enorme revoluties mee. De hele geschiedenis van het mensdom wordt herbeleefd. De zieke speelt de hoofdrol, doorkruist het heelal, wordt belast met een immense taak.

Alle profeten zijn diep overtuigd van de belangrijkheid van hun zending. Allen zijn zij sensationeel, omdat zij fantastische openbaringen doen, die zij onmiddellijk van God ontvingen. Allen zijn zij egocentrisch. Mohammed en Jezus van Nazareth delen beiden in die sfeer. Beiden werden belast met een immense taak en een grote waardigheid, en dat door God zelf. Dat feit staat vast. Geen onderdeel van de traditie is te verklaren, indien we niet aanvaarden dat dergelijk geloof de basis was van hun gedrag. Dit is een eerste gegeven, dat we als historisch kunnen beschouwen en dat als basis kan gelden voor elk verder onderzoek. Zowel Mohammed als Jezus leven vanuit een overtuiging, de eerste dat hij de Profeet is van Allah, de andere dat Hij de Mensenzoon is, de Christus.

Naar tweede hoofdstuk : De berooide wees