Tweede Hoofdstuk : De berooide wees

Mohammeds vader, Abdallah sterft nog voor de geboorte van zijn zoon. Zijn moeder besteedt de zuigeling uit aan een voedster. Dat was een gewoonte van welgestelden. Jonge vrouwen vrezen dat de borsten door het zogen te zeer zullen gaan hangen en hun aantrekkelijkheid verliezen. Ze laten dan de borstvoeding maar over aan een min.

De eerste dagen na zijn geboorte wordt Mohammed uitbesteed aan een slavin: Thuweiba. Daarna bij een stam in de woestijn met name de Banu Sa`d, waarvan men beweert dat kinderen daar een mooiere taal zullen leren en sterker worden.

Ons is het ontroerend verhaal bewaard van de uitbesteding van Mohammed. De vrouwen uit de omtrek van Mekka, op zoek naar een bijverdienste, kwamen blijkbaar samen op de markt. Het was een hard jaar. Halima en haar man waren zeer arm; zij voegden zich bij de groep die wachtten op klanten. Halima had tekort aan moedermelk, zelfs de kameel en de ezel waren slap en droog. Nu werd Mohammed aangeboden, maar de melding dat hij een wees was deed ze vrezen dat er niet of niet voldoende zou betaald worden. Men wilde Mohammed dus niet. Als echter bleek dat Halima geen andere baby kon krijgen, besloot ze toch maar Mohammed te aanvaarden.

En zie, de armoede verandert in welstand : Halima heeft nu overvloedig moedermelk, ook de kameel begint melk te geven, de ezel wordt sterk. Dit typisch naïeve verhaal zegt ons dat waarschijnlijk de vrees dat de moeder niet of te weinig zou betalen ongegrond is gebleken, dat ze integendeel ruim de min kon vergoeden, die daardoor haar armoede in welstand zag keren.

In de legendevorming nemen dieren ook de rol over van mensen; zoals de os en de ezel bij de kribbe van Jezus, zijn er de kameel en de ezel bij de uitbesteding van Mohammed.

In een ander verhaal krijgen we een interessante variante op dit fenomeen: na de verovering van Khaibar op de joden komt een jodin, met name Zainab, en biedt de Profeet een geroosterde geit als geschenk aan. Ze had op voorhand geïnformeerd welk deel van de geit door Mohammed verkozen werd, en dat was de voorpoot. Die had ze dan ook speciaal vergiftigd. Mohammed en zijn gezellen beginnen ervan te eten en Mohammed zou het voedsel uitgespuwd hebben. Maar één van de gezellen, met name Bishr, sterft eraan. Mohammed liet onmiddellijk de joodse ontbieden. Deze zei hem: "Ik wilde weten of gij een echte Profeet zijt. Allah zou u zeker gewaarschuwd hebben; zo niet zijt ge maar een leugenaar en dan is het volk door uw dood van u verlost...". Mohammed beval ze te doden. Maar in een andere versie begint de geit zelf te spreken om Mohammed te waarschuwen. Ze neemt dus een menselijke rol over.

In het eerste verhaal onderscheiden we duidelijk twee soorten gegevens: de wonderen waarin dieren een hoofdrol spelen en de zeer reële bekommernis dat een onbemiddelde wees weinig of niets opbrengt. We ontdekken derhalve een grond van waarheid in het verhaal. Mohammed werd als baby met moeite aanvaard, maar de vrees dat de min niet voldoende vergoed zou worden, bleek ongegrond.

Als Mohammed zes jaar oud was, verloor hij ook zijn moeder Amina. Hij was met haar op reis geweest naar Yathrib voor een bezoek aan zijn ooms. Op de terugweg stierf zij te Al-Abiva. Gedurende de twee volgende jaren was hij aangewezen op zijn grootvader, Abd al- Muttalib van het geslacht der Hashim, die hem graag zag. Als hij acht jaar was, stierf ook deze. Hij moest nu naar zijn oom, Abu Talib, die nooit een gelovige werd.

Dat Mohammed een wees was wordt door alle bronnen bevestigd. We kunnen daaruit enkele gevolgtrekkingen maken, die logisch en noodzakelijk zijn en belangrijk voor het begrip van zijn persoonlijkheid. Het is bekend dat Mohammed sterk gehecht bleef aan zijn eerste min. Tot aan haar dood bleef hij ze geschenken en klederen zenden.

Een pasgeboren kind maakt immers een imprinting-fenomeen mee: neurologisch vormt zich een beeld van de moeder, een binding met een object dat voedt en eerst verschijnt in het bewustzijn van het kind. Tegenover dat object vertoont het een groet- en een volgreflex. Dat is de neurologische moeder.

Voor Mohammed was dat duidelijk Thuweiba. We mogen veilig aannemen dat bij Mohammed een echte band is ontstaan met zijn allereerste min, terwijl een vaderbinding is open gebleven. Khadidja Halima

De dominantie van het vrouwelijke element bij afwezigheid van de vader, - nadien gaat Mohammed bij zijn moeder wonen, - ook op zijn relaties met zijn grootvader, is merkwaardig, want hij is volgens de traditie de vriendelijke jongen, de beminnelijke jongen, die dan ook de genegenheid ondervindt van zijn familie. Als wees blijft hij noodzakelijk de behoefte aan een vader voelen en die zoekt hij te voldoen bij zijn grootvader.

Raadselachtig is waarom hij zijn eigen vader in de hel zet. Getuigt dat niet van een verdrongen vijandigheid? Soms vindt men bij de weduwe een gevoel van vijandigheid tegen een overleden echtgenoot, omdat hij zijn gezin in de steek liet. Hij wordt schuldig geacht. Was dit het gevoel van Amina tegenover Abdallah, zijn vader, en deelde Mohammed dit? Het was toch niet alleen omdat zijn vader geen gelovige moslim was voor dat ook maar iemand sprak over de islam, dat zijn plaats in de hel was...

Mohammeds vaderbeeld is niet helemaal uit de lucht gegrepen. Zijn genegenheid en bewondering gaat naar Abraham, die hij zijn vader noemt, en die zowat het spiegelbeeld is van zijn grootvader, die voor een deel bijgedragen had in de vorming van dat vaderimago. Een duidelijk milde grootvader heeft een warme ondertoon gegeven aan de beeldvorming van de Vader in de hemel. We kunnen dit zeggen omdat we later Allah die alomvattende rol zien vervullen.

Allah wordt alles wat de jonge Mohammed in zijn jeugd zo heeft gemist. Allah is een God, die almachtig en alwetend is, doch vergevensgezind en mild. Allah is goedertieren jegens de dienaren. Allah is vergevend en zachtmoedig.

Dezelfde rol zien we de Vader in de hemel vervullen bij Jezus van Nazareth. De onzekere vader-verhouding van Christus leidt hier ook tot een idealisering, tot de overtuiging zelfs de zoon te zijn van de Vader in de hemel.

Ook bij Mozes die een onzekere vaderverhouding kende, zien we het ontstaan van een godsbeeld als een vaderimago dat overeenkomt met de vroege belevenis van vaderlijke leegte. Mozes' godsbeeld is bijzonder hard.

Niet alleen zijn grootvader was een vaderlijke figuur, ook zijn oom kreeg vaderlijk gezag over hem. Ook deze ziet Mohammed in de hel. Was dit een onbewuste reactie tegen het gezag van zijn oom? Gedurende zijn jeugd was hij het arme neefje; hij zou zelfs een tijd herder zijn geweest en kwam waarschijnlijk op de tweede plaats na de kinderen van zijn beschermer. Mohammed verwijst Abu Talib naar de hel, ook al omdat hij ongelovig bleef.

Verwijt hij hem misschien bovendien zijn karig bezit als wees verteerd te hebben? Want ook die hoofdzonde, zoals we zullen zien, ziet hij in de hel bestraft.

Veel duidelijker nog is zijn reactie tegenover vrouwelijke figuren.

Hij bestrijdt uitdrukkelijk de godinnen. Allah is de enige God. Mohammed duldt geen machten naast Hem, zeker geen vrouwelijke. Koesterde hij eerder of ook wrok tegenover zijn moeder of de vrouw(en) van zijn oom? Verweet hij zijn moeder hem zo lang uitbesteed, praktisch verworpen en hem zo vroeg verlaten te hebben? Hij verbleef immers volle vijf jaar bij zijn pleegmoeder, bij zijn eigen moeder nauwelijks één.

Of werd hij enigszins verworpen door haar, misschien ook wel wegens die eigenaardige wrat tussen de schouders? Of was ook de vrouw (of waren de vrouwen) van zijn oom als stiefmoeder(s) weinig liefderijk?

Is Mohammed affectief op zijn honger gebleven? Is daarom Allah des te groter, des te belangrijker? Want duidelijk is Mohammed Allahs lieveling, zoals hij het eens was van zijn grootvader. Hij krijgt immers de opdracht de Boodschapper te zijn voor de Arabieren. Hij is de uitverkorene, de enige.

Nog een ander verhaal over de kleine Mohammed, verdient onze aandacht. Als hij twee tot drie jaar oud is, komt de pleegbroer aanrennen bij zijn moeder, - de kinderen waren achter de tenten aan het spelen, - en doet het volgende verhaal: twee mannen in het wit gekleed, hebben zich meester gemaakt van mijn broer, hem op de grond gegooid, zijn buik geopend en zijn hem aan het molesteren. De pleegouders liepen er naar toe, en vonden de kleine Mohammed helemaal bleek. Ze vroegen hem wat er gebeurd was en hij zei: "Twee mannen in wit gewaad kwamen, gooiden me om, openden mijn buik en zochten daarin naar iets, ik weet niet wat".

We zijn geneigd dit verhaal als historisch juist te aanvaarden. Het oorspronkelijke verhaal bewaart iets dat typisch is voor het kinderlijk ervaren van een seksueel spel. Een kind van twee tot drie jaar weet niet wat ouderen gaan zoeken in de buikregio. Het is zich nog totaal onbewust van het seksueel belang ervan. Het is dus ook verschrikt en verward als het plots geconfronteerd wordt met twee jongeren die van de gelegenheid gebruik maken om een kind te masturberen. Uit het verdere verloop van het verhaal blijkt dat ook de pleegouders niet onmiddellijk beseffen wat er precies gebeurd is, en denken dat er iets is met Mohammed.

Uit angst dat het met hem misloopt, brengen zij hem terug bij de moeder. Halima moet zelfs bekennen, dat ze vreest dat hij een duivel heeft. Maar de moeder stelt hun gerust. Zij zou een wonderlijk verhaaltje opgedist hebben over haar bevalling. (Ook Mohammed dist soms wonderlijke verhaaltjes op zoals zijn moeder).

Veel later vragen de leerlingen Mohammed om over zichzelf te vertellen. En ziehier het merkwaardige verhaal, dat hij hun voorschotelt: "Toen ik met mijn pleegbroer aan 't spelen was achter de tenten kwamen twee mannen tot mij in wit gewaad met een gouden bekken vol sneeuw. Ze grepen me en openden mijn buik, haalden mijn hart eruit en spleten het; dan haalden ze een zwart element eruit en gooiden het weg; daarna wasten zij mijn hart en mijn buik met die sneeuw totdat zij die grondig hadden zuiver gemaakt".

Blijkbaar is het voorval toch traumatiserend genoeg geweest, zodat het niet vergeten werd. Het trauma werd getransformeerd in een soort liturgie door engelen. Een purificatie-ritus moet het latente schuldbewustzijn wegwissen.

Weer vinden we hier twee reeksen elementen: de legendarische : engelen in wit gewaad met een gouden bekken vol sneeuw, het reinigen en wit wassen van het hart, en de werkelijke: een klein kind, dat niet weet wat de overvallers in de buikregio zoeken, maar totaal verward is wegens deze onverwachte en onbegrepen ervaring.

Er bestaat nog een verhaal, waarin een purificatie- element voorkomt. Mohammed vertelt: "Deze nacht zijn twee personen bij mij gekomen, en nadat ze mij wakker hadden gemaakt, hebben ze mij geleid naar een stad opgebouwd uit gouden en zilveren stenen. Onderweg kwamen we mannen tegen, waarvan de helft van het lichaam zo mooi was als ge maar kunt uitdenken, en de andere helft zo lelijk als mogelijk. Mijn gezellen zegden hun: `Gaat u in de rivier gooien'. Zij deden het en kwamen bij ons terug volkomen ontdaan van al het lelijke, zodat ze zeer mooi geworden waren. `Dit is nu de hof van Eden', zegden mijn gezellen, `en het is daar dat ge zult wonen. De mannen waarvan de ene helft mooi en de andere lelijk was, dat zijn diegenen die tegelijk een goede en een slechte daad begingen en aan wie Allah vergeven heeft'".

Een ander verhaal over de jonge Mohammed kunnen we evenmin negeren.

Toen hij twaalf jaar oud was, zou hij met zijn oom Abu Talib een reis ondernomen hebben naar Syrie. Daar zou hij in contact gekomen zijn met een monnik genaamd Bahira. Deze voorspelde dat Mohammed een groot profeet zou worden.

Er is ook sprake van een tweede reis toen Mohammed al volwassen was, waarop hij de monnik Nastur zou ontmoet hebben, die eveneens zulke voorspellingen deed.

Mogelijk zijn deze verhalen niet veel meer dan propaganda bij de christenen, opdat zij, daarin aangemoedigd door uitspraken van christelijke monniken, de islam zouden omhelzen en Mohammed als Profeet erkennen.

In het evangelie vinden we hetzelfde procédé: bij de opdracht van Jezus in de tempel is het de oude Simeon die de profetie voorbrengt: "Zie, dit kind is bestemd tot val en opstanding van velen..."

Wij hebben de indruk dat het verhaal van de profetie van de christelijke monnik wel eens geïnspireerd zou kunnen zijn door het evangelie. Temeer daar we in de traditie nog andere gelijkenissen vinden.

Aan Mohammed wordt bijv. ook een brood- en een dadelvermenigvuldiging toegeschreven, en ook allerlei voorspellingen.

Dat deze wonderen niet historisch zijn, maakt Mohammed zelf duidelijk. In tegenstelling met Jezus kon hij geen wonderen doen en beschikte hij over geen buitennatuurlijke gaven.

Toch lijkt er een grond van waarheid aan de basis te liggen van het verhaal over de broodvermenigvuldiging. Om Yathrib later te verdedigen tegen het leger van de Mekkanen had men besloten een verdedigingsgracht te graven. Het verhaal speelt zich af tijdens die werken. Een vrouw bracht gerstedeeg aan voor de Profeet. Die spuwde erop; hij zegende daarna het deeg, en zich begevend naar de ketel (met vlees) spuwde hij er eveneens in, en na hem gezegend te hebben, zegde hij: "Roep een bakkerin om er samen met mij brood van te maken, en neem het kooksel uit de ketel zonder hem van het vuur te nemen". Er waren daar wel duizend man, en zij allen aten tot ze voldaan waren.

Nu moet men weten, dat Mohammed in het vooruitzicht van de aankomst van de Mekkanen ervoor gezorgd had de hele oogst binnen te halen, zodat de Mekkanen geen voeder hadden voor hun paarden en kamelen, en geen voedsel voor hun manschappen. Hij had dus voorraden, die hij kon aanspreken en daarmee een soort mirakel simuleren.

Het verhaal over de tweede reis met de ontmoeting van de monnik Nastur (Nastur is een andere vorm voor Nestorius) schijnt ook als doel te hebben de christenen dichterbij te brengen. Mohammed kon niet aannemen dat Jezus Gods zoon zou zijn, want dan kon hij geen Profeet meer zijn die Jezus in de schaduw zou stellen. Mohammed verklaart dus dat Allah geen zoon heeft, en dat Jezus een gewone profeet is zoals Abraham en Mozes.

Hij had dus minder moeilijkheden met de christelijke ketterij van het Arianisme, dat de goddelijke natuur in Jezus ontkende. Oost-Syrie was evenwel de bakermat van het Nestorianisme en Nestorius loochende eerder Jezus' menselijke natuur.

Als Mohammed contact heeft gehad met christelijke monniken in Syrie waren dat waarschijnlijk Nestorianen. En dan is het betekenisvol dat juist een monnik Nestorius, een Nestoriaan, voorspelt dat Mohammed een groot Profeet zal worden. Als er een grond van waarheid onder dit verhaal zit, dan is het dat er ooit een contact is geweest tussen een Nestoriaanse monnik en Mohammed. Het mythologische deel van het verhaal is dan, dat die monnik voorspelt dat Mohammed een groot Profeet zal worden.

Het is zeker dat Mohammed ook bij de christenen, net zoals bij de joden, naar aansluiting heeft gezocht. Hij is daar duidelijk op veel minder openlijke afwijzing gestoten. Daar getuigt hij van in de koran. Hij zegt daar uitdrukkelijk dat christenen hem gunstiger gezind zijn omdat deze priesters en monniken hebben, die zich niet verhovaardigen.

Hieruit kan blijken dat Mohammed spreekt uit persoonlijke ervaring.

Wij kunnen veilig besluiten dat hij inderdaad contacten had met christelijke monniken en priesters, maar toevallig viel op Nestorianen, die hem vriendelijk bejegenden.

Naar derde hoofdstuk : Mohammed en zijn vrouwen