Vijfde Hoofdstuk : De profeet en zijn tumor

Mohammed had ook psychische problemen.

Toen hij vijfentwintig jaar was, trad hij in het huwelijk. Gedurende vijftien jaar leeft Mohammed als een doorsnee Mekkaan. Hij houdt zich bezig met handeldrijven en kinderen verwekken. Hij was nu veertig jaar oud. Hij heeft neiging tot piekeren. Hij trekt zich terug. Hij zoekt de eenzaamheid op in de rotskloven van Hira, vooral tijdens de ramadan-maand. Hij wordt neerslachtig en angstig. Hij heeft namelijk last van het `kwade oog'.

Maar plots wordt hij bovendien overvallen door geestesstoornissen. Van buiten af wordt zijn geestelijk leven verstoord: een engel verschijnt, hij hoort een stem, hij krijgt bevelen. Hij denkt dat hij waanzinnig wordt of bezeten is door een `djinn'. Hij wil zelfmoord plegen en krijgt het gevoel dat er catastrofen op komst zijn. Voor Mohammed is dat de verwachting dat de Laatste Dag nadert. Het wordt een obsessie voor hem.

Alhoewel alle profeten, en vooral Mohammed, graag de ongelovigen al direct naar het hellevuur willen zenden, zal dat toch officieel maar gebeuren bij het Laatste Oordeel, maar die dag komt spoedig.

Wanneer weet Mohammed niet: alleen Allah weet wanneer die Dag komt; toch zijn er vijf voortekens, twee ervan kent ook Mohammed.

Het eerste is er wanneer een slavin het leven zal geven aan haar meesteres;

het tweede, wanneer mensen met blote voeten en amper gekleed de leiders van het volk zullen zijn.

Andere voortekens zijn: Men zal de wetenschap zien afnemen en de onwetendheid groeien; overspel zal veel voorkomen; men zal veel wijn drinken; de mannen zullen in aantal afnemen, terwijl de vrouwen zodanig zullen toenemen dat zij zo talrijk zullen worden dat er slechts één man zal zijn voor vijftig vrouwen.

Dat zijn angstwekkende vooruitzichten.

Bij Mohammed vinden we later ook zeer nadrukkelijk die aankondiging van de grote dag van de wraak, waarop alle bozen opgeruimd zullen worden en naar de hel moeten.

Een uitvoerige schets is de volgende:

Alle mensen zullen verzameld worden op een heuvel, zo dat diegene die ze verzamelt ze allen zal kunnen zien en zich doen verstaan. De zon zal dichterbij komen en zij zullen in zo'n angst verkeren, dat ze die haast niet kunnen verdragen. Onder elkaar zullen ze overleggen, wie ze kunnen aanspreken om voor hen tussen te komen bij Allah. Eerst denken ze aan Adam, daarna aan Noach, dan aan Abraham en Mozes, tenslotte aan Jezus. Maar deze verwijst ze naar Mohammed. Mohammed komt dan tussen voor zijn volk.

Trouwens na de tweede bazuinstoot zal Mohammed de eerste zijn om het hoofd te verheffen en hij zal dan Mozes zien, gehecht aan de troon van God.

Mohammed staat evenwel niet alleen met die aankondiging van vreselijke rampen op de Laatste Dag, ook vele andere profeten kondigen catastrofen aan. De Openbaring of Apocalyps van Johannes is een model in het genre.

Djahannam

Het catastrofengevoel is soms de psychische weerslag van een lichamelijk onwel zijn, dat zijn oorsprong niet direct vindt in een welbekende aandoening en daardoor een onzekerheid en een angst verwekt, waarvan de oorzaak door de zieke geprojecteerd wordt op buitenaardse wezens zoals de djinns, de duivel of God.

Mohammed voelt aan dat er zich iets enorms aankondigt en pint die gewaarwording vast op een Laatste Dag. Dat catastrofengevoel wordt bevestigd door de verschijning van een engel. Mohammed vertelt : "Wanneer ik halfweg op de berg was, hoorde ik een stem die uit de hemel kwam en die zei: `Mohammed, gij zijt de gezant van God, en ik ben Gabriël'. Ik hief mijn hoofd naar de hemel om te zien wie sprak, en zie, Gabriël in de vorm van een mens met de voeten gespreid over de horizon heen stond daar, zeggend: `Mohammed, gij zijt de gezant van God en ik ben Gabriël'. Ik stond naar hem te kijken en ik kon noch voor-, noch achterwaarts bewegen, en ik begon mijn aangezicht af te keren, maar gelijk waar ik mij wendde, ik zag hem juist als tevoren. En ik bleef daar staan, zonder voor-, noch achterwaarts te gaan, totdat Khadidja haar boodschappers zond om mij te zoeken".

In deze tekst vinden we alle klassieke elementen van de hallucinatie.

De betrokkene hoort een stem, die gelocaliseerd is (in de hemel). Zij spreekt meestal in de tweede persoon : "Gij zijt de profeet". Hetzelfde schema vinden we bij Jezus bij het doopsel in de Jordaan en bij de gedaanteverandering op de berg Thabor. Een stem uit de hemel spreekt: "Dit is mijn welbeminde zoon..." Tegelijk meldt de stem een uitverkiezing, een zending : gij zijt de Profeet, gij zijt de Mensenzoon.

Voor de betrokkene is het een bijna ongelooflijke belevenis. In het allereerste begin ontstaat er dan ook een lichte twijfel. Bij Mohammed is er zelfs de vrees krankzinnig te worden. Hij vertoont zelfmoordneiging. Thuisgekomen laat hij zich overgieten met water en met een mantel bedekken. Maar zijn vrouw weet hem gerust te stellen. Zij doet zelfs een toets om te zien of het de satan was of een engel, die Mohammed verscheen. Kom op mijn linkerdij zitten, zegde ze, en zie je dan nog Gabriël ? Ja, antwoordde Mohammed. Kom op mijn rechterdij zitten, zegde ze, en zie je hem dan nog ? Ja, antwoordde Mohammed. Kom in mijn schoot zitten, en zie je hem dan nog? Ja, antwoordde Mohammed. Toen ontblootte ze haar schoot, en terwijl Mohammed op haar schoot zat, vroeg ze hem : Zie je hem nog? Neen, antwoordde Mohammed. Wees dan gelukkig, zei hem dan Khadidja, het is een engel en geen satan!

Velen zullen deze geschiedenis voor een fabeltje houden. Toch is dat verhaal niet noodzakelijk verzonnen. Bij vele zieken is de acute hallucinatie een voorbijgaande toestand, die allicht gedurende een zekere tijd blijft naklinken, en met tussenpozen terugkomt. Bij Jezus duurde het volledige wegebben van de eerste aanval veertig dagen, die hij doorbracht in de woestijn. Op de Thabor kwam een tweede, en bij de intocht in Jeruzalem een derde aanval; beide laatsten duidelijk minder intens of minder verwarrend. In sommige gevallen zijn die acute toestanden zeer zeldzaam en markeren ze alleen het begin van een waantoestand, die zich daarna ontwikkelt via fabulatie en illusie.

Zoals bij paranoia- of parafrenielijders zijn deze fabulaties coherent met de grondwaan.

Allicht is het ook zo verlopen bij Mohammed. Eenmaal bij Khadidja terug thuis was de acute aanval aan 't wegebben. Bovendien vinden we een ander element: het is bekend dat het menselijk brein niet aan twee dingen tegelijk opmerkzaamheid kan schenken. Pijn bijv. kan verdrongen worden door mooie boeiende muziek. Het is normaal dat de wegebbende hallucinatie verzwakt als Khadidja haar schoot ontbloot en zo de seksuele gevoelens van Mohammed wekt. Khadidja maakt de onzekerheid mee van Mohammed; zij weigert te aanvaarden dat zijn geest gestoord zou zijn, zoals overigens zijn stads- en stamgenoten insinueren. Nog voor de openbaringen wist zij dat de Profeet te lijden had onder het `kwade oog', en zij liet dan door een oude vrouw van Mekka zijn kwaal bezweren. Mohammed weigerde echter die bezwering zodra zijn openbaringen begonnen waren.

Het is bij een christelijke verwante van haar, met name Waraka ben Nawfal, dat zij met haar twijfels en vragen te rade gaat. Deze oude man, die enige kennis had van het Hebreeuws en van de bijbel, oordeelt dat de belevenis van Mohammed vergelijkbaar is met die van Mozes. En dat alle verschijningen van Gabriël echt zijn.

Met de slag krijgt Mohammed dus een potentiële betekenis als een nieuwe Mozes voor zijn volk. Alles wordt nu mogelijk. En dat is precies de rol die Mohammed gaat spelen.

Zoals Mozes wordt hij de wetgever. Mozes promulgeert de Thora, Mohammed de koran. Zoals eens Mozes' wil de wil van Jahweh was, zo is nu Mohammeds wil de wil van Allah. Het godsbeeld is echter totaal anders: Mozes' God is wraakzuchtig, jaloers en wreed, Mohammeds God is barmhartig, vriendelijk, vergevensgezind, maar ook wel eens jaloers als hij overspel ziet bedrijven.

Ook de wetgeving verschilt: Mozes' wet is meticuleus, volledig, coherent, Mohammeds wet is occasioneel, partieel, opportunistisch. Meestal worden de regels afgekondigd naar aanleiding van een concrete vraag of geval. Zo bijv. de regel dat de meerderjarigheid begint op vijftien jaar.

Voor Mozes draait alles om de observantie van de Thora; voor Mohammed, zoals ook voor Christus trouwens, is het geloof het belangrijkste; wie niet gelooft moet naar de hel.

Lahab

Het is een bekend fenomeen, dat partners soms dezelfde waan gaan delen, alhoewel strikt genomen slechts één van de twee werkelijk geestesziek is. Iets dergelijks speelt zich af in het geval van Mohammed. Khadidja gelooft.

Het is altijd al zo geweest dat vrouwen veel geloviger zijn dan mannen. Nu nog ziet men dat er meer vrouwen aanwezig zijn bij kerkelijke diensten dan mannen. Het is eigen aan een vrouw minder rationeel kritische vragen te stellen. Haar criteria verschillen van de mannelijke: het kan niet dat een zo goed en betrouwbaar man als Mohammed zou worden misleid door waangedachten of door een ` djinn', meent Khadidja. Zij merkt niet of wil niet weten, dat Mohammed grote gelijkenis vertoont met geesteszieken, die bijv. aan paranoia lijden.

Het is om niet te moeten toegeven, dat er iets misloopt in Mohammeds geest dat zij haar toevlucht neemt tot haar verwante Waraka: van hem verwacht zij de bevestiging van Mohammeds roeping.

Belangrijk in deze extravagante geschiedenis is de twijfel van Mohammed, en de geruststelling door de omgeving. Normaal gaat die twijfel vlug over en ruimt hij de plaats voor een vaste overtuiging, die ontoegankelijk is voor gelijk welke redenering of werkelijkheidscontrole ook. Het hallucinerende waandenken gaat het volledige bewustzijn van de zieke beheersen. Niets kan die subjectieve overtuiging nog afzwakken. Van nu af is Mohammed de Profeet, zoals Jezus na het Doopsel de Mensenzoon was die het Rijk Gods predikte. Het logische vermogen van zulke personen is niet aangetast en blijft coherent. Vandaar dat ze de grondwaarheid (de Profeet te zijn of de Mensenzoon) gaan uitwerken in een noëtisch systeem dat zij ontlenen aan de traditie. Voor Jezus is dat de identificatie met de komende Mensenzoon en met de lijdende dienaar van Jahweh. Voor Mohammed is dat het gevoel de laatste te zijn en de grootste in de rij der grote profeten: Abraham, Mozes, Jezus...

Zij gaan hun leven organiseren naar die grondwaan. Zij beginnen stilaan aan vertrouwden hun geheim mee te delen. Jezus doet dat aan zijn apostelen, Mohammed aan zijn vrouw en zijn familie. Het duurt twee jaar vooraleer Mohammed de zaak publiek maakt.

Zij formuleren ook hun eis te worden erkend: Jezus als de komende Mensenzoon, Mohammed als de Profeet, en dat met meer en meer nadruk.

Het blijft gewoonlijk niet bij de beginhallucinatie. Mohammed ontving regelmatig 'openbaringen'. Abdallah ibn Umar vroeg eens aan de Profeet: "Weet gij wanneer er een revelatie tot u komt?", waarop hij antwoordde: "Ik hoor luid lawaai, en dan voel ik mij als getroffen door een slag. Ik krijg nooit openbaringen zonder het bewustzijn dat ik buiten mezelf ben". Ibn Sa`d vermeldt de volgende uiting van de Profeet: "De openbaring komt tot mij op twee wijzen. Soms komt Gabriël en spreekt tot mij van man tot man, maar wat hij dan zegt vergeet ik. Maar soms komt het tot mij met de klank van een bel, als het gedruis van vele wateren, zodanig dat ik in verwarring geraak. Maar wat mij op die wijze geopenbaard wordt, dat laat mij niet meer los".

Ook in de Apocalyps van Johannes komt de openbaring, klinkt de stem van de Mensenzoon als het gedruis van vele wateren (Apoc. 1,15). Ook Ezechiël hoorde levende wezens: als ze zich voortbewogen hoorde hij het klapperen van hun vleugels; het was als het gedruis van een grote watermassa... (Ez. 1, 24).

Het geluid van een luide bel, het gedruis van vele wateren, het zijn waarnemingen, die voorkomen in een gestoorde perceptie. Om ze te onderscheiden van de echte hallucinaties noemen we ze soms hallucinosen. De betrokkene herkent deze waarnemingen als waarnemingen, niet als echte realiteit. Toch zijn ze reëel, niet ingebeeld. Zij begeleiden de echte hallucinatie, die van buiten uit de patiënt overvalt, en hem de indruk geeft buiten zichzelf te zijn, zoals Mohammed correct vermeldt.

De traditie stelt Mohammed voor als zeer opgewonden tijdens die openbaringen. Hij brabbelde rare, losstaande geluiden. Soms zonk hij op de grond, zijn lichaam trilde, het zweet parelde op zijn wenkbrauwen en hij zuchtte als een jonge kameel. Dan kwam hij langzaam tot zichzelf, viel in slaap, en bij het ontwaken droeg hij een nieuw vers voor.

De traditie vermeldt ook dat Mohammed tijdens die periode alles verwaarloosde, ook zijn kledij; hij wekte de indruk van krankzinnigheid. Als twee dochters hem aan de rots Hira voedsel kwamen brengen, had hij geen aandacht voor hen, hij staarde voor zich uit met wijd opengesperde ogen. Soms nam hij geen voedsel, maanden lang uitte hij geen woord. De stemmen die hij hoorde, nam hij waar als vreselijk, vreemd en angstwekkend.

Hij vertelt de eerste verschijning (?) van Gabriël als volgt: "Ik sliep, toen kwam de engel met een doek brokaat waar iets op stond geschreven, en zei : `Lees'. Ik antwoordde: `Wat moet ik lezen?' Hij drukte mij zo, dat ik dacht dat ik dood ging en zei: `lees'. Dan liet hij mij los, en zei : `Lees'. Ik zei: `Wat moet ik lezen ?' Voor de derde maal drukte hij mij bijna dood en zei: `Lees'. Ik zei : `Wat moet ik lezen ?', en ik zei dat alleen om mij van hem te verlossen, opdat hij niet zou herbeginnen. Hij zei: `In de naam van de Heer die de mens uit gestold bloed heeft geschapen, lees. Lees. Uw Heer is de meest magnifieke, die door de pen heeft geleerd wat mensen nooit hebben geweten'. Dat heb ik gelezen en hij vertrok. En ik ontwaakte uit mijn slaap."

De `droom' heeft duidelijk de bedoeling de koran aan te bevelen als onmiddellijk door de engel meegedeeld aan Mohammed. Het bevel te lezen, en het niet weten wat lezen, als er kennelijk toch iets te lezen was, is niet heel zinnig, zelfs niet voor een droom, tenzij men zou moeten vertalen: Ik kan niet lezen. Hij zou immers willen doorgaan als ongeletterde, om des te meer de goddelijke oorsprong van de revelatie te benadrukken. Vanwaar die zogenaamde weerstand om te lezen, tenzij wij verkeerd vertalen? Lezen kan hier betekenen voorlezen, reciteren. Mohammed krijgt dus gewoon het bevel van de engel om zijn boodschap te verkondigen, om te `reciteren'.

Zo'n bevel om de boodschap aan het volk te brengen krijgen de meeste profeten. Aan Jesaja zegt God: "Ga dan en zeg tot dit volk"... Zijn weerstand is dan begrijpelijk: hij is bevreesd om met zijn boodschap voor het volk te komen. Hij kan niet reciteren, of voorlezen. Hij voelt zich geen redenaar.

Ook Mozes maakt bezwaar bij Jahweh omdat hij geen redenaar is: "Mozes sprak tot Jahweh: `Neem mij niet kwalijk, Heer, maar ik ben geen redenaar... Ik spreek moeilijk en traag'".

Ook Mohammed sprak traag. Tegelijk kan de tekst betekenen: Ik heb niets om op te zeggen of te reciteren. Hij verwacht dus dat de engel de openbaring zou voorzeggen of hem inspireren. De druk, uitgeoefend door de engel, is zo groot dat hij dacht dat hij zou sterven. Dat kan wijzen op een verstikkingsgevoel dat in een droom veelvuldiger kan voorkomen, doch ook op een werkelijke fysiologische waarneming, die aan de droom ten grondslag ligt. Hij had dus de indruk gewurgd te worden door een engel. Onder die dwang wordt de zending ook tot een onweerstaanbare drang. Het is dezelfde drang die Jeremia ondervond: "Er was in mijn hart iets als een verterend vuur, opgesloten in mijn gebeente. Ik probeerde het in te houden. Ik heb het niet gekund".

Heel deze passage doet ons onvrijwillig denken aan de belevenissen van Joseph Smith (1805-1844), de stichter van de Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der laatste Dagen (Mormonen). Ook hem verschijnt een engel, die hem een tekst brengt op gouden bladen, in een taal die hij normaal niet kent: het oud-Egyptisch. Met de hulp van de engel schrijft hij de vertaling. Het is de nieuwe bijbel: het boek van Mormon, dat getuigt van een zeer grote fantasie en fabulatie. (Ook Smith wordt later polygaam en kent talrijke vrouwen.)

Aangezien we in de teksten aanduidingen vinden die wijzen op een geestesziekte, hebben vele onderzoekers zich gebogen over de vraag of Mohammed geen krankzinnige was. paranoia; hysterie; neurasthenie; hystero-epilepsie. Velen, in de vroege dagen van de beginnende psychopathologie, dachten aan epilepsie, omdat Theophanes in zijn Chronographie heel uitdrukkelijk zegt dat hij daaraan leed.

Dat was gedeeltelijk te wijten aan de toen nog deficiënte kennis van de geestesziekten. Men wist bijv. niet dat bij epileptische storingen gewoonlijk geheugenverlies optreedt, zodat de betrokkene zich niets herinnert. Mohammed zou in dat geval dus niets weten over visioenen, openbaringen en dergelijke.

Eén verhaal uit de traditie zou men desnoods kunnen aanzien als een indicium van epilepsie. Op een zeker ogenblik zou Mohammed deelgenomen hebben aan de heropbouw van de Ka`ba. Hijzelf en Abbas waren bezig stenen aan te brengen. Abbas zei toen tegen Mohammed: "Leg uw izar (mantel) over uw schouder om die te beschermen tegen de stenen". Op dat ogenblik viel de Profeet ter aarde, de ogen gericht naar de hemel. Hij kwam bij en riep uit: "Mijn izar, mijn izar", en Abbas hechtte daarop de izar terug vast aan de gordel. De schaamdelen zouden bij het vallen namelijk ontbloot geweest zijn.

Hier wordt dus een kort verlies van bewustzijn beschreven, zoals dat voorkomt bij `petit mal' in de epilepsie. Mogelijk was het ook een doodgewone appelflauwte, veroorzaakt door het harde werk in een grote hitte. Het is in geen geval een doorslaand bewijs voor epilepsie, vooral niet omdat bij een epileptische aanval de ogen gesloten zijn, en hier vermeld wordt dat de ogen open bleven. (Het indrukken van de thorax vanuit de rug wegens de val, gepaard aan hyperventilatie kan ook een syncope veroorzaken.) Het openblijven van de ogen kan tevens een teken zijn van enige verwardheid na een ongeval. Veelal kan ook bij hard werk een plotse myokard- dilatatie optreden met als gevolg een circulatie- stoornis, die een apallisch syndroom verwekt, namelijk een kortstondig afzonderen van de hersenschors van de hersenstam. De patiënt blijft dan liggen met open ogen, zoals hier vermeld voor Mohammed. (De laatste uren voor zijn dood viel hij ook herhaaldelijk in zwijm.)

Een andere aanduiding voor een zekere epileptische aanleg zou kunnen zijn dat hij langzaam sprak. Gewoonlijk spreken epileptoïden vrij traag, en hebben een ixoied of kleverig karakter, bovendien zijn ze zeer dominant. Mozes is, zonder aan epilepsie te lijden, daarvan een duidelijk voorbeeld.

Heel anders zijn de tekenen van symptomatische paranoia, d.w.z. een toestand van stoornissen, die gelijkt op het syndroom dat als paranoia wordt beschreven. De zieke lijdt dan aan waangedachten, die duidelijk in tegenspraak zijn met de werkelijkheid. Ook deze aandoening duikt op rond de middelbare leeftijd. De betrokkene gaat zich isoleren, zoals Mohammed, die naar het getuigenis van zijn vrouw, zich steeds meer terugtrok en graag in eenzaamheid vertoefde. Veelal wordt de weerstand tegen de waan ondergraven door een trauma.

Bij Mohammed kennen we de opstapeling van familiale rouw: zijn vader, zijn moeder, zijn grootvader ontvallen hem heel vroeg; eenmaal gehuwd verliest hij één voor één zijn kinderen. Zoals eens voor Abraham is het gemis van mannelijk nageslacht een vreselijk vooruitzicht. Het is zo traumatisch, dat het de trigger wordt van een mentaal proces. De diepe vernedering slaat soms om in een gevoel van uitverkiezing. Abraham wordt door God uitverkoren om de stamvader te worden van een talrijk nageslacht, ook al kan hij geen kinderen krijgen. Mohammed wordt de Profeet, de Boodschapper. Hij verklaart ronduit: "Op de dag der Verrijzenis zal ik de Heer der mensen zijn. De Mensenzoon berokkent mij schade; hij beledigt de tijd; maar de tijd ben ik. Alles heb ik in handen en ik doe de nacht volgen op de dag".

Deze grootheidswaanzin is geen uitzonderlijk feit. De inflatie van het Ego is de reactie op die diepe vernedering. Het proces is gewoonlijk sluipend, toch zet het expliciet in door een schijnbaar uitwendig gebeuren: er is, zoals gezegd, een irruptie in het bewustzijn: een stem van buitenuit en goed gelokaliseerd, veelal boven (de hemel), brengt een boodschap of bevelen, meestal in de tweede persoon. Zo beschrijft Mohammed nauwkeurig het fenomeen. Tegelijk is er een visuele hallucinatie: de verschijning van de man Gabriël. Deze Gabriël is een gigantische verschijning, zijn voeten raken de einders.

Ook dit gigantisme, of het tegenovergestelde het lilliputisme, is een typisch kenmerk van de hallucinatie.

Mohammed getuigt tevens dat hij blijft hallucineren. Ook thuis. De engel geeft ook bevelen: Mohammed moet reciteren, Allahs boodschap verkondigen, hij moet ook de salat, het gebed, vijfmaal per dag doen.

We hebben dus heel wat gegevens die wijzen in dezelfde richting: Mohammed werd het slachtoffer van een aanval van klassieke paranoïde symptomen met visuele en auditieve hallucinaties. Deze oorspronkelijke aanval moet men onderscheiden van de hallucinosen (een hallucinose is, zoals gezegd, geen echte hallucinatie; het is een echte perceptie, die slechts als waarneming beleefd wordt). Wie beweert een profeet te zijn en rechtstreeks contact te hebben met de godheid, moet dit kunnen bewijzen door uitzonderlijke tekenen. De reactie van het publiek op zulke buitengewone mededelingen is overal dezelfde. Bij Jezus vroegen de Farizeeën hem om een teken en zegden dat hij door een duivel bezeten was, bij Mohammed gaat het niet anders. Men vraagt hem om tekenen. Men spot met hem, men behandelt hem als een halve gare, iemand die onzin vertelt, een bezetene, een tovenaar.

En omgekeerd, zowel Christus als Mohammed verwijten hun medeburgers huichelaars te zijn. Talrijk zijn de scheldpartijen tegen Mohammed, en men dreigde ook met steniging en wurging. Abu Bakr kwam echter tussen met de woorden: "Gaat gij een man doden, omdat hij zegt: Mijn God is Allah ?" Voor zijn arme aanhangers wordt het erger, daar begint een echte vervolging. Zo erg zelfs, dat ze gedwongen worden uit te wijken naar Ethiopië. Ze werden namelijk afgeslagen en in de gevangenis opgesloten. Bilal werd met een koord aan de nek door de straten gesleurd. Mohammeds verkondiging irriteert in het bijzonder zijn stadgenoten. Er wordt zwaar aan getild dat hij het polytheïsme veroordeelt en alleen Allah erkent. Maar zijn boodschap, soms luid verkondigd, zit ook vol met bedreigingen tegen degenen die hem niet geloven. Zoals voor elke paranoialijder is het geloof voor Mohammed het belangrijkst, veel meer dan de observantie van de wet en dat in tegenstelling met Mozes, voor wie de Wet voorrang heeft, zoals reeds aangestipt.

Nu is het opmerkelijk, dat zijn prediking er vooral in bestaat de koran te reciteren. Het publiek opzeggen of voorlezen van de koran, als zijnde het boek der goddelijke openbaringen hem door Gabriël geïnspireerd, vormt de hoofdbrok van zijn boodschap. Hij voert daarbij het bevel van de engel uit. Deze koran, zoals hij werd overgeleverd, valt op door zijn onsamenhangende structuur. Naast enkele eenvoudige hoofdgedachten : straf voor de bozen en ongelovigen, grootheid en almacht van Allah, hulp en beloning voor de gelovigen, is de inhoud bijzonder mager. Veelal is het een herhaling van dezelfde hoofdthemata.

Vooral de chronologisch eerste `sura's (kapittels) lijden aan onsamenhangendheid. Nergens vindt men een coherente redenering, een logisch betoog, wel emotionele uitingen en dreigementen:

"O gij ongelovigen, ik dien niet wat gij dient. En gij zult niet dienen, wat ik dien..."

"Zeker zult gij zien het hellevuur. Nog eens, gij zult het zien met het oog der zekerheid."

"En voor hen, die ongelovig zijn is er de bestraffing van Djahannam, en een kwade gang is dat. Wanneer zij daarin geworpen worden, horen zij daarin gereutel, terwijl zij ziedt. Haast zou zij uiteenspatten van woede..."

"De dag dat de hemel zal zijn als gesmolten metaal, en waarop de bergen zullen zijn als bonte wolvlokken",

"en ten dage dat de hemel gespleten wordt door de wolken en de engelen in nederdaling neergezonden, dan is het Koningschap aan de Erbarmer, en het is een moeizame dag voor de ongelovigen."

Dan komt ook de antichrist met het blinde rechteroog, dat er uitziet als een uitpuilende druif.

Het kwaliteitsonderzoek van de godsdienstige opvattingen is tot nu toe, buiten de rationalistische kritiek, erg deficiënt gebleken. Hoe moeilijk de opdracht van de psycholoog en historicus ook is om kritisch de opvattingen en de persoonlijkheid van een historische figuur als Jezus van Nazareth of Mohammed te benaderen, toch zijn er ontegensprekelijke feiten en gegevens, die zo'n oordeel mogelijk maken.

Alleen al de nauwkeurige beoordeling van de grondtekst, de koran voor de islam, geeft zonder twijfel aan voor welk soort intellectueel product we staan: de koran is geen verhandeling, geen manifest, geen rationele uiteenzetting, geen doctrine, hij bevat geen solide argumenten, alleen affirmaties, emotionele aansporingen, bedreigingen. Mohammed bevestigt zonder meer en zijn schaarse redeneringen steunen op vooronderstellingen. De inhoud is zeer arm en lijdt aan voortdurende herhalingen. Vooral de oudste ` sura's, de Mekkaanse, verwekken, zoals gezegd, een indruk van verwardheid, de Medinese zijn heel wat coherenter.

In de koran is het vormniveau van de imaginatieve voorstellingen zeer laag. De samenhang is los. Het constructief gebruik van de intelligentie lijkt geschaad. Er is geen enkele zorg om de objectieve gegevens juist weer te geven. Er is bijna geen beschrijving. En dat duidt op een weinig gedifferentieerde perceptie.

Vergelijken we met de Apocalyps van Johannes dan vinden we dezelfde emotionele sfeer, hetzelfde gemis aan rationele argumentatie, dezelfde aansporingen en bedreigingen, behalve dan dat de Apocalyps qua verbeeldingskracht zoveel rijker en machtiger is dan de koran. In de Apocalyps speelt de vernietiging van de ongelovigen zich vooral op aarde af, waar alle kwalen de komst van de Mensenzoon voorafgaan.

Noch de Apocalyps, noch de koran zijn intellectuele producten van hoge kwaliteit. Zij verschaffen weinig inzicht. Beide spruiten voort uit verarmde ziekelijke mentale processen, die aanleiding hebben gegeven tot letterkundige brouwsels.

De vreselijke intellectuele armoede van Mohammed wordt pas duidelijk als we zijn intellectuele productie gaan vergelijken met deze van Plato of Aristoteles. Twee afgronden staan hier tegenover elkaar: enerzijds de hoge verstandelijkheid, die streeft naar dieper inzicht in de dingen, anderzijds een obscure instinctieve drang, die spreekt vanuit irrationele impulsen.

Toch bevatten zowel de koran als de Apocalyps teksten met een grote suggestieve kracht. En daarin ligt juist het geheim van de aantrekkelijkheid, van de overtuigingskracht van de Boodschapper. Zoals de hypnotiseur leidt de koran de aandacht en zelfs het redeneervermogen van het subject af, om dit te concentreren op een mysterieus wezen, Allah, dat geen uitleg behoeft. De Profeet wordt de uitdrukking van de wil van dat wezen, omdat hij de Boodschapper is. Hij doet beroep op de almacht en de grootheid van Allah, die hem als een aureool omgeeft. Want Mohammed is zijn Profeet. Zo kan hij de wil van de moslim volledig aan zich ondergeschikt maken.

Dikwijls krijgt een zieke van de stemmen bevelen te horen, die een absolute waarde krijgen. Het belangrijkste bevel van de engel aan Mohammed is, naast het bevel tot het publiek reciteren (verkondigen), verscheidene malen per dag te bidden volgens een bepaalde ritus : de `salat' tweemaal per dag op reis, vijfmaal per dag thuis, voorafgegaan door een rituele ablutie. De prosternaties (drie of viermaal bij elke salat) zijn de lichamelijke uitdrukking van de volledige onderwerping aan de wil van Allah, de enige God. Deze wijze van bidden is typisch gebleven voor de islam. Opmerkelijk is hier het zuiver rituele karakter van het gebed.

Dat contrasteert scherp met de geestelijke inwendigheid van het christelijke gebed. De christen knielt, betuigt zijn aanbidding; de moslim buigt zich diep op beide knieën. De basishouding van de religieuze mens is daardoor genuanceerd. De christen bewaart meer zelfbewustzijn, meer eigen fierheid; hij vereert, hij aanbidt. Dat loopt parallel met het grotere individualisme in de westerse beschaving. De moslim, als individu, verdwijnt voor Allah, het alomvattende goddelijke, dat alleen nog telt. In het Oosten is het individuele leven overigens van mindere tel.

Misschien verklaart de natuur in die streken deze opvatting: er zijn de immense zandwoestijnen, de brandende zon, de hitte en de wijdse sterrenhemel. Daar loopt de mens er ietwat verloren en hulpeloos bij, uitgeleverd aan de krachten van de natuur. Hij kan zich alleen maar klein voelen en zich onderwerpen. Deze ingesteldheid wordt ook beïnvloed door de leefwijze in de woestijn en in de steden. De Bedoeïen heeft hoogstens zijn vee om van te leven. Landbouw en techniek zijn voor andere streken geëigend, voor de woestijn zijn ze niet geschikt.

In de stad is er alleen de handel of diefstal om zich te verrijken. De Arabier zal zich steeds moeten wapenen om zichzelf en zijn bezit te verdedigen, of om dat van anderen te veroveren. Zo doet hij het al eeuwen. Al vanaf het derde millennium voor Christus kloegen de Egyptenaren erover en richtten verdedigingswallen op tegen de plunderende indringers. Ook de joden waren oorspronkelijk zwervende stammen in de woestijn.

Zowel de God der Arabieren, als die van de joden zijn dus krijgsgoden: Jahweh der joden is daarom de Heer der heerscharen, en zo is Allah ook de God van de Heilige Oorlog. Hij helpt de gelovigen in de strijd: "Allah is uw beschermheer. Hij is de beste der helpers".

Het is vanuit deze mentaliteit dat Mohammed’s denken zich verder gaat ontwikkelen. Hij blijft Arabier in hart en ziel en blijft de volkse traditie getrouw. Hij organiseert plundertochten, hij verlamt de handel van zijn stamgenoten uit Mekka en voert oorlog, daarbij geholpen door zijn luitenanten.

Alhoewel gesteund door een paar getrouwen blijft Mohammed de eerste jaren van zijn prediking een mislukkeling. Enkele armere volgelingen worden blootgesteld aan vervolgingen. Zo erg dat die volgelingen, zoals gezegd, verplicht zijn naar Abessinië uit te wijken (615). Hij zelf geniet nog van de bescherming van zijn familie, maar wordt gehouden voor iemand die bezeten is, onzin vertelt, en vooral een vijand is van de oude Arabische traditie: het polytheïsme.

Die afwijzing moet hem pijn gedaan hebben. Hij overweegt zelfs verscheidene verzen in de koran toe te voegen, die ditmaal de vrouwelijke goden erkennen. De afbeeldingen van die godinnen rond en in de Ka`ba waren immers bronnen van inkomsten. Onder deze druk schijnt ook Mohammed geaarzeld te hebben en heeft hij in enkele verzen van de koran de godinnen ingelast. Later verwerpt hij deze verzen als zouden ze door de satan ingegeven zijn. (De bekende satanische verzen).

Het is niet gemakkelijk het mentale processus te schetsen waarbij Mohammed tenslotte als absoluut monotheïst en als verdediger van de oorspronkelijke bijbelse godsdienst van Abraham naar voren kwam. Hij was immers verdeeld tussen het monotheïsme van de bijbel en de Arabische polytheïstische traditie.

Bedroefd, ontmoedigd door de oppositie van de meest invloedrijke hoofden van de stam, kwam Mohammed op zekere dag tijdens een vergadering van de voorname mannen aan de Ka`ba en begon een nieuwe versie voor te lezen, een vervolg op het verhaal van het verschijnen van de engel, zoals het ons al bekend is: En hij zag hem (Gabriël) een andere maal, bij de lotus-boom aan de einder, dicht bij de Gaarde der bestemming. Toen de lotus-boom omhuld was met wat hem omhulde, week zijn blik niet af en dwaalde niet verder. Waarlijk heeft hij iets gezien van de geweldige tekenen van zijn Heer. Wat denkt gij van Al- Lat en Al- Uzza en Manat, de derde daarnaast ? Deze zijn de verheven Vrouwen wiens tussenkomst moet beijverd.

De Kuraysh waren verwonderd en opgetogen over de erkenning van hun goden. En toen Mohammed eindigde met de oproep: "Daarom buigt voor God en dient Hem," deden zij dat eenstemmig. Het was een duidelijke verzoening. Ze was zo ophefmakend, dat de mare doordrong tot in Abessinië, waar de migranten hoorden van de bekering van de Kuraysh en terugkeerden. Niet voor lang echter.

Eenmaal thuis kwam Gabriël Mohammed verwijten maken: "Wat hebt gij gedaan? Ge hebt woorden voor het volk herhaald, die ik u niet gegeven heb".

En Mohammed was zeer bedroefd en zei: "Ik heb gezegd over God, wat Hij niet gezegd heeft". Maar God sterkte de Profeet, en reveleerde hem de juiste versie zoals die nu is: "Behoren aan u soms de mannelijke kinderen en aan Hem de vrouwelijke ? Dat ware dan een onbillijke verdeling. Niets anders zijn dat dan namen, waarmede gij en uw vaderen ze genoemd hebt. Allah heeft over hen geen enkel gezag neergezonden..."

Elders in de koran staat: "God zal ongedaan maken, wat de satan suggereerde", en zo kon Mohammed beweren dat de satan hem die verzen had ingegeven. Want ook Jezus werd door de satan geleid, die hem vanop de tinne van de tempel en van een hoge berg de hele wereld liet aanschouwen; - dat was trouwens een argument voor de moslims om te beweren dat Jezus Gods zoon niet kon zijn: God laat zich niet leiden door de satan.

De emigranten, die reeds na twee maanden uit Abessinië waren teruggekeerd, ondervonden al vlug dat de vervolging nog feller werd en werden gedwongen opnieuw te emigreren; ze waren met zo'n honderd. Een dertigtal mannen en acht vrouwen kwamen daarna terug naar Mekka of emigreerden naar Yathrib. De rest van de migranten verbleef verscheidene jaren in Abessinië.

Mohammed was nu de boeman van de polytheïsten geworden. Voor hem waren de twee grootste zonden trouwens: het polytheïsme en het ongeloof.

De beschermheer van Mohammed, Abu Talib, werd nu aangesproken: "Die neef van u heeft zich lasterlijk uitgelaten over onze goden en onze godsdienst, en voorgewend dat al onze voorvaderen dwaalden. Wreek ons nu tegenover hem, of laat hem aan ons over, of regel zelf de zaken met hem". De traditie brengt dit feit in verband met een soort boycot van de vooraanstaanden in Mekka tegen de stam van de Hashim, die Mohammed beschermde. Deze werd geïsoleerd en vermeden. Abu Talib wilde Mohammed zo maar niet laten vallen. Hij waarschuwde hem. De Profeet zoekt eerst in Ta'if een onderkomen, maar wordt daar slecht ontvangen en uitgelachen. Hij knoopt daarna ter gelegenheid van een bedevaart betrekkingen aan met inwoners van Yathrib (later Medina), een stadje waar al een paar uitgewekenen verbleven. En met succes.

In Mekka was men daar niet enthousiast over. Bescherming zoeken bij een andere stam werd als een erstig vergrijp beschouwd. Mohammed tracht zo onopvallend mogelijk een aantal van zijn volgelingen weg te sturen, en moet eindelijk zelf de wijk nemen en ontsnappen. Dat was de ` hidjra'. Terecht begint vanaf deze uitwijking naar Yathrib (16 juli 622) de islamitische tijdrekening;, want het is de start voor Mohammed van een nieuw tijdvak. De mislukkeling wordt de stichter van een nieuwe godsdienst en een groot rijk.

Maar voor hij de heer van Medina wordt, speelt zich nog een belangrijk verhaal af. Op een zeker ogenblik vertelt Mohammed publiek in Mekka, dat hij op een nacht de reis naar Jeruzalem ( isra) maakte.

Het is een bijzonder vreemde geschiedenis. Mohammed kreeg een dier, Buraq, waarop de profeten reden. Het is niet duidelijk of het een (gevleugeld ?) paard of een muilezel of gewoonweg een ezel was. Gabriël vergezelde hem, om de wondere dingen te zien tussen hemel en aarde tot ze aan de tempel te Jeruzalem kwamen. Daar vond Mohammed Abraham, Mozes en Jezus in een gezelschap van profeten, en samen met hen verrichtte hij de `salat', het gebed. Toen bracht men hem drie schalen, respectievelijk melk, wijn en water bevattend. De Profeet zei: "Als deze mij aangeboden werden, hoorde ik een stem die zei: `Als hij het water neemt, zal hij verdronken worden en zijn volk met hem; neemt hij de wijn, dan zal hij verdwalen en zijn volk ook; neemt hij de melk, dan is hij op de juiste weg, en zijn volk ook'. Daarom nam ik de kom met melk en dronk ze op. Gabriël zei mij : `Gij hebt juist gehandeld, en ook uw volk zal juist gericht zijn, Mohammed'". Volgens de ons bewaarde traditie vertelde Mohammed dit verhaal publiek aan de Kuraysh, niet als een droom, maar als een echte reis naar Jeruzalem. De meesten vonden het je reinste onzin. En vele moslims gaven hun geloof op.

Abu Bakr wou de profeet testen en vroeg hem Jeruzalem te beschrijven, maar moest vaststellen dat Mohammed alles nauwkeurig wist te schetsen. Al zeer vlug veranderde de traditie de aard van dit verhaal in een droom van Mohammed. Zelfs Aisha beweerde dat Mohammed de reis niet `lichamelijk' had gemaakt.

Het feit dat Mohammed alles vertelt als waar gebeurd schijnt te wijzen op een hallucinatoire belevenis. Opmerkelijk is dat de stem zich weer laat horen om zijn roeping te bevestigen.

Het komt meer voor bij dit soort zieken dat zij fabuleren, dat wil zeggen dat zij fantastische verhalen opbouwen vanuit traditionele elementen en daarin de bevestiging zien van hun roeping.

Bij Jezus vinden we namelijk ook een samenkomst met Mozes en met Elia op de berg Thabor,en een evenzeer pijnlijke gebeurtenis. Hij deelt zijn leerlingen immers mee dat ze zijn Lichaam en Bloed zullen moeten nuttigen, waardoor velen het geloof verliezen.

Het is typisch voor een paranoïde geesteszieke dat hij zijn beweringen staande houdt, al kent hij het ongeloof van diegenen die hem aanhoren. Voor de zieke neemt de waan de plaats in van de werkelijkheid. De reis naar Jeruzalem was duidelijk een belevenis van centrale betekenis voor Mohammed. Zij situeerde hem in de continuïteit van de grote profetische traditie. Bij Jezus was het niet anders. Als zoon van God kon hij zich situeren als de verwachte Mensenzoon, de Messias van het einde der tijden, die voorspeld was door alle profeten, en aan wiens zijde Mozes en Elia stonden. Zoals Jaspers opmerkt: alle zieken staan centraal in een reusachtig, veelal kosmisch gebeuren. Uit het verhaal, zoals we het nu kennen, is het niet mogelijk te bepalen of het er hier gaat om een echte hallucinatoire belevenis, of over een hiermee verwante waanachtige imaginaire constructie, die uitgevonden werd om zijn roeping als profeet te stofferen, en zich belangrijk en interessant te maken voor zijn tijdgenoten.

Het parallellisme van de reis naar Jeruzalem met de verschijning van Mozes en Elia aan Christus op de berg Thabor zou kunnen wijzen op het feit dat Mohammed zich heeft laten inspireren door het verhaal van het evangelie. Maar Jaspers merkt op, dat men soms verbazend gelijkende verhalen vindt bij zieken, totaal onafhankelijk van elkaar. Nog problematischer is het verhaal van een bezoek aan de hemel. Een dergelijk bezoek ligt helemaal in de lijn van een waanachtige belevenis. Henoch, de schriftgeleerde, vermoedelijk de Leraar van de Gerechtigheid van de Essenen, bracht ook, zoals reeds aangestipt, een bezoek aan de hemel: begeleid door engelen doorkruiste hij het heelal, en beschreef zijn ontmoeting met God.

Mohammed zou gezegd hebben : "Nadat ik mijn taak in Jeruzalem had volbracht, bracht men mij een ladder die smaller was dan ik er ooit één had gezien. (Toevallig de ladder van Jacob?) Mijn gezel klom er met mij op tot we kwamen bij de Poort van de Wachters ( mi`radj , hemelreis). Een engel met name Ismaël was ermee belast, en onder zijn commando had hij twaalfduizend engelen, die elk twaalfduizend engelen commandeerden. Als Gabriël mij binnenbracht, vroeg Ismaël wie ik was. Wanneer hij hoorde dat ik Mohammed was, vroeg hij of ik een zending had gekregen, en zodra hij dit bevestigd zag, wenste hij mij geluk. Al de 96 engelen die ik ontmoette in de laagste hemel, glimlachten als welkom en wensten me geluk, behalve één die hetzelfde zei, maar niet glimlachte en er niet zo gelukkig uitzag als de anderen. Als ik aan Gabriël de reden vroeg, zei hij mij, dat, indien hij ooit zou geglimlacht hebben tevoren, of ooit zou glimlachen later hij tegen mij zou geglimlacht hebben; maar hij glimlacht niet, want hij is Malik, de Bewaker van de Hel. Ik zei aan Gabriël...: `gaat ge hem niet bevelen mij de hel te laten zien ?' En hij zei: `Natuurlijk. Malik, toon de hel aan Mohammed.' Daarop nam deze het deksel weg en de vlammen laaiden hoog op in de lucht, zodat ik dacht dat ze alles zouden verteren. Daarom vroeg ik Gabriël ze terug op hun plaats te sturen, wat hij deed. Ik kan alleen hun terugvallen vergelijken met het vallen van een schaduw... Malik plaatste er het deksel terug op.

Wanneer ik de laagste hemel binnenkwam, zag ik een man zitten waarvoor de geesten van mensen passeerden. Tot de één sprak hij vriendelijk en opgewekt: `Een goede geest uit een goed lichaam', en tot de ander : `Bah !' en zijn wenkbrauwen fronsend, `een slechte geest uit een slecht lichaam'. ... Gabriël zei me dat het Adam was, die de geesten van zijn nageslacht keurde...

Dan zag ik mensen met lippen als kamelen; in hun handen hielden ze stukken vuur als stenen, die zij gebruikten om in hun mond te steken en die uit hun achterste kwamen. Men zei mij dat het diegenen waren die de goederen van wezen zondig verteerden.

Dan zag ik mannen in de trant van de familie van de Farao, met buiken zoals ik nog nooit zag. Zij werden vertrappeld door kamelen, razend van dorst wanneer ze naar de hel werden verwezen, en zij konden niet weg. Dat waren de woekeraars.

Dan zag ik mensen met goed vet vlees voor zich tegelijk met taai stinkend vlees daarnaast, die dit laatste zaten te eten en het andere lieten liggen. Dat zijn diegenen die aan de vrouwen, die God heeft toegelaten, hebben verzaakt en achter datgene gaan, dat verboden is.

Dan zag ik vrouwen opgehangen aan hun borsten. Dat zijn zij die bastaards hebben bezorgd aan hun echtgenoten.

Dan werd ik naar de tweede hemel gebracht. Daar waren de twee kozijns, Jezus, de zoon van Maria en Johannes, de zoon van Zacharia.

Dan ging het naar de derde hemel en daar was een man met een gezicht als een volle maan. Dat was mijn broer Jozef, de zoon van Jacob.

Dan ging het naar de vierde hemel. En daar was een man met name Idris...

Dan naar de vijfde hemel, en daar was een man met wit haar en een lange baard, nooit zag ik een fijner man. Deze was de geliefde bij zijn volk, Aaron, de zoon van Imran.

Dan naar de zevende hemel, en daar was een man die op een troon zat aan de poort van het eeuwig verblijf. Elke dag kwamen hier zeventigduizend engelen binnen om niet meer terug te komen tot aan de dag van de verrijzenis. Nooit heb ik een man gezien die meer leek op mijzelf. Dit was mijn vader Abraham.

Dan bracht hij mij in het Paradijs en daar zag ik een jonge dame met donkere rode lippen en ik vroeg haar aan wie zij behoorde, want ze behaagde me zeer als ik haar zag, en ze zei me :` Zaid ben Haritha' (zijn aangenomen zoon).

De Profeet gaf nadien Zaid het goede nieuws over haar. Bij mijn terugkeer passeerde ik bij Mozes, en wat een fijne vriend was dat voor u! Hij vroeg mij hoeveel gebeden mij opgelegd waren, en wanneer ik hem zei vijftig, zei hij: `Gebed is een belangrijke zaak en uw volk is zwak, ga dus terug naar uw Heer en vraag hem dit aantal te verminderen voor u en uw gemeenschap'. Ik deed dat en hij deed er tien af. Opnieuw passeerde ik bij Mozes en hij zei nog eens hetzelfde; en zo ging het verder totdat er alleen vijf gebeden voor de hele dag en nacht waren gebleven. Mozes gaf mij weerom hetzelfde advies. Ik antwoordde hem dat ik teruggekeerd was naar mijn Heer en gevraagd had het aantal te verminderen tot ik beschaamd werd, en dat ik dit niet meer opnieuw zou doen. Diegene onder u die ze in geloof volbrengt en vertrouwen zal de verdienste hebben van vijftig gebeden".

Dit verhaal over zijn bezoek aan de hemel is zo gefantaseerd, zit zo vol clichés, dat men het moeilijk als een echte droom, of echte revelatie kan beschouwen. De straffen van de hel zijn populair en triviaal, en over de verschillende hemelen weet Mohammed al niet veel meer te vertellen dan een paar namen. Dan is er nog die eigenaardige geschiedenis met Mozes, om uit te leggen waarom er voor de moslim vijf gebedsstonden dagelijks verplichtend zijn. Dat bezoek aan de hemel heeft blijkbaar alle kenmerken van een verzonnen verhaal. Duidelijk gaat het hier om fabulatie.

In tegenstelling met deze vrij povere schildering van de hemel, staan een reeks uitingen over de Gaarde, waarheen alle vromen na de dood zullen heengaan. De voorstelling die een persoon zich maakt over het paradijs geeft nauwkeurig aan hoe het staat met de balans van de driften, die voldoening zoeken. Welnu de gehele voorstelling van die Gaarde is zeer sensueel met een zware nadruk op seksuele elementen.

In de Gaarde zal een grote tent staan, gemaakt uit grote parels, 60 mijlen breed, zodat men van de ene zijde tot de andere elkaar niet kan zien. De moslims zullen er wandelen, voor iedereen zullen er twee tuinen zijn, waarvan alle huisraad en meubelen in zilver en twee tuinen waarvan het huisraad en de meubelen uit goud bestaan. Tussen de gelukzaligen en het zicht op Allah zal er geen andere sluier zijn dan de majesteit van Zijn aangezicht in de tuin van Eden. Onder de Gaarde stromen vier rivieren: water, melk, wijn en honing. Gekleed in zijden en satijnen gewaden, bekleed met brokaat, versierd met gouden ringen en parels, liggen de gelukzaligen in de schaduw, zonder vermoeienis, op rijkbestikte rustbedden, rijen van kussens en gespreide tapijten. Ooft en brondrank zijn er voor het grijpen, zuivere wijn, verzegeld met muskus, gemengd met water uit de bron Tasnim. Zij eten uit schotels van goud, waarin zij alles vinden wat zij kunnen verlangen en waarvan de ogen genieten, zij worden gekoppeld aan wit- en groot-ogige gezellinnen met ronde boezem. Tussen hen lopen eeuwig levende knapen als in het rond gespreide parelen.

De Gaarde is de uitdrukking van de dromen en de verlangens van Mohammed. Opmerkelijk is de nadruk op het luie nietsdoen. De Gaarde is een luxueus luilekkerland; het ideale milieu voor een paleisleven met een harem; de aanwezigheid van parelen van knapen zorgt voor een lichte homoseksuele toets.

Dit tafereel toont goed de beslommeringen van de Profeet. Hij lijdt blijkbaar aan vermoeidheid; - de mekkaanse sura's getuigen ervan - droomt van luxe en lekker eten en vooral van mooie vrouwen. Zijn relatief arme en harde jeugd, tegelijk met zijn armoede, vooral in 't begin van de Medinaperiode, kan die verlangens hebben aangevuurd.

Volgens de traditie zou Aisha gezegd hebben: "We hadden de gewoonte veertig dagen zonder vuur te blijven". En gevraagd hoe ze leefden, zou ze geantwoord hebben: "Op water en dadels". Mohammed zou soms, zoals reeds vermeld, een steen op zijn maag hebben gelegd tegen de honger; hij at gezeten op de grond en hij sliep met zijn hand onder zijn hoofd bij wijze van peluw. Hij zou gezegd hebben: "Ik ben een dienaar; ik eet en ik slaap als een dienaar".

Als dat inderdaad zijn leefwijze was, dan kan men zijn droom over en zijn streven naar de Gaarde begrijpen.

Maar de rooftochten veranderden veel voor hem. Daardoor kon hij zich al vlug rijke en mooie klederen permitteren, rijkbestikte kussens en dienaren. Hij werd veel uitgenodigd en at daar overvloedig van de goede dingen. Vandaar misschien de regel: "Wanneer het maal opgediend is, en het is het ogenblik van het gebed, neme men eerst het maal".

Mooie vrouwen had hij ook overvloedig. Kortom, hij had de Gaarde op aarde gerealiseerd. Hij zei: "Terwijl ik sliep werden mij de sleutels gebracht van alle schatten van de aarde".

Zijn voorstelling van de Gaarde is evenwel in radicale tegenstelling met die van Jezus: In de christelijke hemel wordt er niet aan seks gedaan. De heiligen zijn daar als engelen.

Deze voorstelling van de Gaarde en het voorbeeld van de Profeet heeft natuurlijk een grote invloed gehad op de latere ontwikkeling van de islam. De drang naar een seksueel rijk en luxueus leven beheerste blijkbaar alle machtigen, die zich harems konden veroorloven. In een oneindig orgasme te leven was voor hen het ideaal.

Noteer dat alle polytheïsten, joden en christenen uitgesloten zijn uit dit Paradijs. Alléén moslims komen erin. Mohammed is consequent: zelfs zijn vader zit in de hel, zijn oom zit er; al zorgde hij ervoor dat zijn pijn niet zo groot is. "Ik vond hem in het laagste deel van de hel. En ik bracht hem naar een ondiep deel."

De voorstelling van hemel, laatste oordeel en hel bij Mohammed is de tegenpool van die van de Apocalyps. Terwijl de aardse rampen van de laatste dagen in deze laatste machtig en kleurrijk worden afgeschilderd met grote imaginatieve creativiteit, is de hemel en de gelukzaligheid in de Apocalyps koud en arm: niets meer dan de eeuwige immobiele aanbidding van het Lam. Tegelijkertijd getuigt de schildering van Laatste Oordeel en hel bij Mohammed van slechts matige verbeeldingskracht in tegenstelling met zijn abundante voorstelling van de Gaarde.

Mohammed kan niet begrepen worden, als men geen rekening houdt met de invloed van jodendom en christendom op zijn denken. Zeer diep ging deze kennis niet. Het is duidelijk dat het meeste stamt van horen zeggen. Het zijn maar flarden. Hij vernam namelijk heel veel van zijn christelijke slaaf, en had later te Medina discussies met joden. Een ervan gaat over de steniging van overspeligen. De joden brachten twee overspeligen bij Mohammed. "Wat doet gij met overspeligen?", vroeg hij hen. "Wij maken hun aangezicht zwart en we geven ze stokslagen", antwoordden ze. Abdallah ben Selam zei tot hen: "U liegt, brengt de Pentateuch en leest die voor, als U oprecht bent". Dan begon een rabbi te lezen, maar hij hield zijn hand juist op de passage van de steniging, en las wat erboven en wat eronder stond. Abdallah zei hem: "En dat hier?" Als de joden dat zagen, riepen ze: "Dat is de passage over de steniging". Daarop gaf de profeet het bevel de beiden te stenigen. Een rabbijn kwam eens bij de Profeet en zei hem: "Mohammed, wij vinden in de Pentateuch dat God de hemelen op één vinger heeft geplaatst, de aarde op één vinger, de bomen op één vinger, het water en de vochtigheid op één vinger en alle geschapen wezens op één vinger, en dat hij gezegd heeft: `Ik ben de meester'". Toen begon Mohammed luidkeels te lachen. En hij reciteerde het volgende vers: "Zij hebben Allah niet geacht zoals hij het verdiende. Op de dag van de Verrijzenis zal ik de gehele aarde vastnemen en de hemelen in elkaar plooien".

Mohammeds versie van de bijbel draagt het stempel van zijn eigen interpretatie. Toch vinden we in de koran een hele reeks verborgen of zelfs duidelijke citaten uit het evangelie, zoals de kameel die door het oog van de naald moet.

Ook de parabel van de werklieden, die allen gelijk betaald worden, alhoewel zij later kwamen op het werk, vinden we in gewijzigde vorm terug: "Uw situatie", zegt Mohammed aan de moslims, "vergeleken bij die van de joden en de christenen is deze van een man die werklieden aangeworven heeft en hun zegt: `Diegene die voor mij tot het middaguur werkt zal een `kirat' ontvangen. Terwijl gij die vanaf de ` asr ' (namiddaggebed) tot de avond gewerkt hebt, gij hebt elk twee ` kirat 'ontvangen'. `Het zijn wij', zullen de anderen zeggen, `die het meest gearbeid en die het minst gekregen hebben'. Men heeft hun geantwoord: `Heeft men u in wat dan ook onrecht aangedaan?' `Neen', hebben zij geantwoord en dan heeft de meester daaraan toegevoegd: `Het is een gunst van mijnentwege, die bewijs ik aan wie ik wil'".

Dan is er nog de parabel van het zaad, die in een zeer aangepaste vorm, maar herkenbaar, ingevoerd wordt.

Over Jezus heeft hij enkele apocriefe legenden opgepikt: hij doet het kind Jezus al in de wieg praten, om het te doen zeggen: "Ik ben de dienaar van Allah. Hij heeft mij de `salat' (het gebed) en de `zakat' (de geldelijke bijdrage als aalmoes) opgedragen".

Hij kent ook de lieve legende, die vertelt hoe de kleine Jezus tijdens de Sabbath met leem speelt, en daarmee vogeltjes maakt. Een oude jood ziet dat en vermaant de kleine, dat zoiets niet toegelaten is op de Sabbath. Maar de kleine Jezus klapt in de handen of blaast erover en zie, de vogeltjes gaan vliegen.

Hij weet ook iets vaags over het laatste Avondmaal of de broodvermenigvuldiging: hij zegt dat Jezus een dis uit de hemel liet komen.

Voor de rest legt hij Jezus woorden in de mond, die in zijn kraam passen. Jezus heeft volgens hem niet gezegd: "Neem mijn moeder en mij tot goden". Hij heeft de joden vervloekt. Hij was alleen een dienaar.

Kortom zijn informatie over Jezus is ten dele apocrief, ten dele tendentieus vervormd, ten dele vervalst.

Over Abraham is de koran nog problematischer, want nog meer op legende gestoeld en vooral vervormd in de zin die Mohammed wenst.

Abraham verwerpt volgens hem het polytheïsme en de afgoderij, maar wordt, evenals Mohammed, door zijn volk tot leugenaar verklaard. Hij bouwt de Ka`ba, hij kondigt de bedevaart af, hij is het die de gelovigen ` moslims' (overgegevenen) noemt. hanif

Het zijn allemaal elementen die stammen uit de verbeelding van Mohammed.

Sura 18 is een reeks voor ons vrij onbegrijpelijke fragmenten van legenden omtrent Mozes. Deze vergeet een vis, die ondertussen naar de zee zwemt. Zijn begeleider vernietigt een boot, doodt een jongen, en herbouwt een bouwvallige muur. Dan is er nog een duistere geschiedenis van drie jongelingen, die in een grot verblijven, - ook over Mohammed werd verhaald, dat hij bij zijn vlucht uit Mekka zich in een grot moest verstoppen , - en de hoornenman, (dat zou Alexander de Grote zijn,) die een koperen muur bouwt.

Al deze geschiedenissen schetsen ons een verwarde geest, die amper weet wat hij vertelt.

Hij put uit oude legenden van christelijke oorsprong (de zeven slapers), of uit de joodse midrash en haggada( Alexander de Grote ) of de Pseudo-Callisthenes (de vis).

Een glimp van interpretatiewaan vangen we op, wanneer Mohammed verklaart dat Jezus hem voorspeld heeft als de Heilige Geest, die na Hem zou komen. Aan de basis van zijn bijbelinterpretaties vinden we de wens dat, zoals bij Jezus, de hele bijbel naar hem zou wijzen: een teken van ziekelijk egocentrisme. Dat is het wat hem interesseert in de Thora. Hij vraagt namelijk aan een jood hem te zeggen wat er over hemzelf instaat.

We denken nu, dat we de hele geestelijke productie van Mohammed kunnen karakteriseren als een mengsel van authentieke psychotische ervaringen met gefantaseerde, zelf verzonnen openbaringen. Op zich zelf genomen is dat niet zo verwonderlijk. Een paranoïde geesteszieke moet voortdurend zijn beleving van de werkelijkheid in een klank houden met zijn waandenken. Daarbij gaat hij wel logisch, maar losjes te werk, in die zin dat de werkelijkheidstoets eerder verwaarloosd wordt. Hij leeft dus in een `verwaande' sfeer. Het is eigen aan de fenomenologie van een paranoïde geestesziekte dat de patiënten op een listige wijze berekenen en simuleren, vooral als ze gewaar worden dat de omgeving ze niet gelooft en als ze die als vijandig gaan ervaren.

Omgekeerd, als ze geloofd worden kunnen ze gebruik maken van die gunstige sfeer om te simuleren. Dat zien we herhaalde malen bij Mohammed, telkens als hij voorwendt openbaringen ontvangen te hebben, waar die hem uit de verlegenheid moeten halen, bijv. bij het incident en schandaal met Aisha, bij zijn huwelijk met Zainab, als hij meer dan vier vrouwen wil, en als hij de godinnen terug wil invoeren om de Kuraish tevreden te stellen. In het laatste geval geeft hij het zelfs toe.

Zoals bij Mohammed in het begin loopt de hele onderneming van een geesteszieke veelal uit op een fiasco. In heel zeldzame gevallen zoals bij Jezus en Mohammed wordt het achteraf een succes. Bij Mohammed is het zelfs zo, dat hij als de Profeet erkend wordt door zijn stamgenoten en door de hem omringende volkeren.

Mohammed heeft kunnen verwezenlijken wat Jezus droomde, maar niet kon: aan het hoofd van een leger de vijand, de ongelovigen, onderwerpen en vernietigen.

De verklaring van Mohammeds gedrag als een aanval van paranoïde oorsprong is echter slechts gedeeltelijk en onvolkomen.

Wij beschikken over een hele reeks lichamelijke symptomen, die de zaak verder verduidelijken. Mohammed wordt ons beschreven in de hadiths als een man die leed aan een chronische ziekte, waartegen hij aderlating toepaste.

Vooral na de veertig jaar werden de symptomen opgemerkt. Aan het einde van het jaar 6 verloor hij zijn eetlust en had pijnen in de rug. Hij schreef dat toe aan de poging tot vergiftiging bij Khaibar.

Wij hebben ook een uitvoerige beschrijving van de ziekteverschijnselen in de week voor zijn dood: hij had hevige hoofdpijn, hij verloor herhaaldelijk het bewustzijn, hij had hoge koorts en veel pijn in de ingewanden en de rug of lenden.

Hij was 62 jaar als hij stierf. We gaven reeds hierboven (p. 15 bij de schets van de persoonlijkheid van Mohammed een vrij volledige opsomming van de beschrijvende elementen die we terugvinden in de hadiths. Vooral de mals-als-deeg- aanvoelende handpalmen, tezamen met de grote voeten en handen, grote oren en neus, symptomen die zeer typisch zijn en om zo te zeggen exclusief , suggereren ons dat Mohammed eigenlijk leed aan acromegalie.

Dit is namelijk een verlengde groei tijdens de volwassenheid van de uiteinden van de ledematen. Als we nu een lijst maken van de symptomen van acromegalie, dan vinden we ALLE elementen terug, die zijn tijdgenoten opmerkten.

Acromegalie komt vooral na veertig jaar, heeft een traag verloop over jaren, soms voorbijgaand (fugitive), of `burned-out' 98% van patiënten sterven rond 60 jaar.

Zij hebben grote oren, een grote neus, een grote kin, (Fig. 1. Afbeelding onder: normale hand en acromegale hand: dikke vingers, die een gevoel van malsheid geven bij de handdruk. Boven: typisch aangezicht en handen. Uit Tindall p. 211).

Zij vertonen grote handen en voeten, mals aanvoelende handpalmen wegens de dikke vingers (cf. fig. 1), zij hebben een diepe holklinkende stem, zij lopen met gekromde ruggegraat wegens overgroei van de wervels, zij ondervinden rugpijnen, zij voelen pijn (arthralgie) wegens klemming van de zenuwen door overgroei van het kraakbeen, zij zweten overvloedig wegens ontregeling van de schildklier, - dat olieachtig zweet heeft een onaangename geur, zij vallen op door een sterke beharing, opvallende wenkbrauwen, geelachtige huidkleur, zij vertonen een grote eetlust, lijden honger, daardoor worden ze corpulent, wegens het uitgroeien van de ribben krijgen ze een kiekenborst, ze hebben een hoge bloeddruk (te verhelpen bijv. door aderlating), zij vertonen seksuele impotentie of zuchtigheid, zij munten uit door karakteriële betrouwbaarheid, in geval er overdruk is in de hersenen ervaren zij hallucinaties soms en hallucinosen, inzonderheid horen zij soms bellen, zij spreken soms langzaam (de drie laatste symptomen zijn vooral opgemerkt als gevolg van kleine tumoren, en wat betreft de visuele hallucinaties of hallucinosen tumoren in de nabijheid van de optische zenuw). Bij apoplexie door een plotse zwelling of bloeding van de hypofyse, lijden zij aan hevige hoofdpijn, braken, nausea en bewustzijnsstoringen. Als er nu volledige overeenstemming is tussen de opgemerkte en verdervertelde karakteristieken van Mohammed en de symptomen van de acromegalie, dan kunnen we zelfs met een zekere waarschijnlijkheid zijn signalement vervolledigen.

Mohammed had niet alleen grote voeten en handen, dikke vingers, zacht- aanvoelende handpalmen, een grote neus en grote oren, maar ook een vooruitstekende kin, die evenwel verstopt werd wegens zijn volle baard, naast grote seksuele organen (cf. fig. 2). (Fig. 2. Links: typisch aangezicht van acromegale patiënt: brede neus, vooruitstekende kin, zware wenkbrauwen; rechts: zelfde patiënt na de operatie. Uit Tindall, p. 217.)

Daarbij kwam een schelle, zelfs schrille stem. Hij had een geelachtige huidkleur als stro, in de getuigenissen vermeld, zoals gezegd, als niet zeer wit en ook niet donkergetaand, zelfs iets rozig. Zijn huid was dik en grof en hij had niet alleen opvallend behaarde wenkbrauwen, maar een sterke beharing over het hele lichaam. Hij liep enigszins gebogen omdat de ruggengraat vergroeid was. Dat verwekte pijn. Het draaien van de wervels was beperkt, waardoor hij telkens het hele lichaam moest wenden. Zijn gang was als van iemand die van een berg daalt, en dus enigszins gebogen is. Hij had een ronde vooruitstekende kippenborst, en ook een uitpuilende ronde buik. Hij had hoge bloeddruk en leed periodiek aan hoofdpijn. Hij zweette overvloedig, en zijn zweet had een onaangename geur. Daarom waste hij zich veel, soms tot driemaal achtereenvolgens, en maakte hij veel gebruik van reukwerk (muskus, antimonium en amber). Hij verbrandde kamfer op geurig hout. Hij had ook een opmerkelijke eetlust en leed nog weleens honger, vooral tijdens zijn vroege verblijf in Medina. (Hij legde soms een steen op zijn maag wegens zijn honger). Aisha zei: "De profeet hield van drie dingen: vrouwen, reukwerk en eten. Hij had wat zijn hart verlangde van de twee eerste dingen, maar niet van het laatste".

Zijn lust voor vrouwen krijgt hierdoor een nieuwe dimensie: is het een abnormale aangroei van de seksuele behoefte of/en een overcompensatie voor een tanende potentie? Het verloop van de ziekte was, zoals normaal, vrij goedaardig en strekte zich uit over jaren. Zoals de meeste patiënten verdroeg hij de ziekte wel. Zelden treedt er een bloeding op, die tot de dood kan leiden. (Mogelijke doodsoorzaak van Mohammed.) Zulke apoplexie bestaat in de vrij plotse zwelling van een adenoom aan de hypofyse met of zonder bloeding. De patiënt lijdt, zoals vermeld, aan hevige hoofdpijn, braken, nausea, en bewustzijnsstoringen, zoals gesignaleerd bij Mohammed. Hij sprak traag. Het horen van bellen en andere hallucinosen wordt door hemzelf verteld.

Karakterieel was hij standvastig en eerlijk, zodat hij, zoals reeds vermeld, de bijnaam de betrouwbare kreeg.

Toevallig kent men ook de oorsprong van die ziekte. (Ziekte van Pierre Marie (1886)). Zij wordt veroorzaakt door een klein gezwel aan de voorkwab van de hypofyse. We kunnen zelfs preciseren dat het hier waarschijnlijk gaat over een eosinofiel of een basofiel adenoom dat zeer klein was, zo niet zou Mohammed aan gezichtsstoornissen geleden hebben.

Dit wil zeggen, dat er zich in of op de hypofyse (het hersenaanhangsel, een klier die vele andere klieren, zoals de thyroïde, de bijnieren, de seksuele klieren, met stimulerende of remmende hormonen voorziet), cellen gaan ontwikkelen die zich kenmerken door het feit dat men ze kan herkenbaar maken onder de microscoop door ze met eosine, een roodbruine vloeistof, te kleuren (eosinofiele) of andere cellen, bijv. basofiele die worden gereveleerd door andere vloeistoffen (basen). Modernere methoden gebruiken dichrome, trichrome en tetrachrome kleuringen.

De kleine tumor verwekt een endocriene dysfunctie, een overdaad van groeihormoon (somatotropine) en ook soms deficiëntie of overvloed van seksuele hormonen (gonadotropine), of soms zelfs produktie van andere hormonen, bijv. bij een stimulering van de schildklier, thyroïdine, die het metabolisme of de stofwisseling regelt en dus ook de warmteregeling van het lichaam (cf. zweten). In vele gevallen verwekt de tumor impotentie, in sommige is overdadige seksuele drang niet uitgesloten. Aangezien de hypofyse ook de plaats van aanmaak van het gonadotrope hormoon is, beïnvloedt zij in sterke mate de produktie van spermatozoïden en de vruchtbaarheid. Men merkt dat de uitwerking van zo'n tumor niet altijd eenvormig is, maar van het ene geval tot het andere kan verschillen.

De tumor kan namelijk de hypofyse prikkelen, zodat meer gonadotrope hormonen worden afgescheiden, of dat deel van de hypofyse vernietigen, waarmee de aanmaak van zulke hormonen uitvalt. Wanneer er een zwelling optreedt boven de sella, dan verwekt die een druk op de vloer van het derde ventrikel in de hersenen en het optische chiasma.

Tengevolge van deze lokale overdruk in de hersenen kunnen visuele (als de overdruk in de nabijheid van de optische zenuw plaatsvindt) en in andere gevallen ook auditieve hallucinaties optreden, en vooral ook typische hallucinosen als het horen van bellen, samen met een vertraging van het spreken.

Soms is er een lichte geelachtige, stroachtige verkleuring van de huid te wijten aan een teveel van melanoforenhormoon, dat het pigment van de huid beïnvloedt en door de hypofyse geproduceerd wordt.

Als er geen stoornis van de lichaamsgroei voorkomt tijdens de jeugd kan men niet spreken van een constitutionele acromegalie. In gevallen van actieve acromegalie voortkomende van intrasellaire adenomen merkt men een aantal psychologische trekken op: eenvormig is er verlies van energie, zijn er affectieve afwijkingen zoals neerslachtigheid, piekeren en prikkelbaarheid, verhoging van de eetlust en verlies van libido. De psychopathologische symptomen zijn niet afhankelijk van de hoeveelheid van het groeihormoon. De hogere intellectuele functies zijn intact, evenals het geheugen. De persoonlijkheid van deze zieken is uniform gewetensvol, betrouwbaar en werkzaam. Sommigen zijn een beetje angstig en tonen een tekort aan zelfvertrouwen.

Specialisten zullen opmerken, dat er geen sprake is in de hadiths over een grote kin bij Mohammed, terwijl dat toch een heel duidelijke aanwijzing is van acromegalie. Sommigen zullen daarom twijfelen. Men bedenke echter dat de kin van Mohammed volkomen verstoken bleef onder de zware baard en derhalve niet opviel. (Cf. fig. 2 p. 113).

De hadiths spreken over een `goed-uitziend aangezicht'. Normalerwijze zou hij een ruwe dikke huid moeten gehad hebben. Maar weerom kon een dikke baard veel verstoppen. Negatieve opmerkingen over Mohammed zijn afwezig in de hadiths, en men kan dat goed- uitziende aangezicht ook als een eufemisme interpreteren.

Toch leveren deze hadiths ons heel wat elementen, die de tijdgenoten niet begrepen, of niet belangrijk achtten, maar voor ons veelzeggend zijn. Men kan echt verbaasd staan, als men in de oude bronnen naast ongelooflijke verhaaltjes ook telkens een reeks goed herkenbare indicaties ontdekt, die wijzen naar een fysiologische en psychopathologische symptomatologie.

In het verder verloop van zijn leven zien wij vooral de invloed van zijn ziekte op zijn seksueel gedrag, maar ook onrechtstreeks op zijn ideeënwereld doorheen de waanachtige voorstellingen.


Overzicht van de symptomatiek van Mohammed,

Samenvattend vinden we de volgende symptomen bij Mohammed:

A : organische: grote handen en voeten, grote oren en neus, zachte palmen van de handen; typische gang als iemand die van een berg daalt (gekromde ruggegraat), beperkte draaimogelijkheid van de wervels, kippeborst, uitpuilende buik, traag spreken, speciale huidkleur, opvallende beharing, grote eetlust (honger) en relatieve onvruchtbaarheid na de veertig jaar; overmatig zweten, en voor zijn dood: hevige hoofdpijn, herhaalde bewusteloosheid, hevige pijn in de rug en lenden. De begindatum van de kwaal ligt typisch rond het veertigste jaar; de sterfdatum van Mohammed is al even typisch rond het zestigste jaar.

B : psychische

  1. visuele en auditieve hallucinaties, (Gabriël en de stemmen, gelokaliseerd boven);
  2. hallucinosen (belgeluid, als van vele wateren),
  3. waangedachten met Ego-inflatie (uitverkoren om de Profeet te zijn en wel de Laatste);
  4. vlottende angst, `katastrophen-ahnen' (de Laatste Dag);
  5. simulatie; (gebruiken van inspiraties om gewenste uitspraken ingang te doen vinden);
  6. typische haat tegenover diegenen die twijfelen aan de grondwaan of hem bestrijden, de ongelovigen en de huichelaars, (cf. 156);
  7. fabulatie en interpretatiewaan (interpreteren van de bijbel als op hemzelf betrokken en precies zeggend wat hij verwacht; verdraaiend en vervormend interpreteren (cf. 106);
  8. fabulatie, in de zin van het verzinnen van belevenissen zoals de nachtelijke tocht naar Jeruzalem en de reis naar de hemel (cf. 93);
  9. gestoorde seksuele activiteit; Mohammed kon, niettegenstaande hij een zeer actief seksueel leven leidde met talrijke jonge vrouwen, die kinderen konden krijgen, en niettegenstaande zijn uiterste pogingen om een mannelijk opvolger te verwekken, slechts één kind verwekken dat vroeg stierf. Ongetwijfeld is deze onvruchtbaarheid te wijten aan de interacties van stimulerende en remmende hormonen, waarvan in de hypofyse de produktie gestoord werd.
  10. karakteriële betrouwbaarheid
  11. initiële zelfmoordneiging, neiging tot depressie en piekeren;
  12. verarming van de voorstellingscapaciteit (cf. beschrijving van hemel, hel, Gaarde, Laatste Dag), gebrek aan logisch samenhangende verwoording (cf. koran), herhalingen, ixoïde of epileptoïde kleverigheid.

Alles samen vormt dit het syndroom van een symptomatische paranoïde geestesziekte met dien verstande dat die symptomatiek veroorzaakt wordt door een eosinofiele of/en basofiele tumor van de hypofyse, die op zijn beurt oorzaak is van een hormonaal onevenwicht: dit wil zeggen, een overmaat van groei- en storing van het seksueel hormoon.

Waarschijnlijke doodsoorzaak: hypofysaire apoplexie.

Geen enkel symptoom elimineert de mogelijkheid van een acromegalie; integendeel wanneer men alle in de bronnen gevonden elementen samenbrengt dan vindt men alle details (1) van een hypofysaire pathologie.

Als besluit kunnen we bevestigen dat Mohammed ziekelijk was en leed aan een hypofysaire aandoening. Als psychopathologische diagnose kan men stellen: organische hallucinatorische aandoening met paranoïde kenmerken.

Deze diagnose levert ons de verklaring van zijn gedrag na zijn veertigste jaar, tijdstip waarop zowel een paranoïde instelling klassiek optreedt als een tumor aan de hypofyse. Zij verklaart ons ook waarom zijn seksueel gedrag zoveel meer gestoord werd na zijn veertigste. Zij legt ook uit waarom zoveel geleerden perplex bleven voor de symptomatiek van Mohammed en zich verdeeld opstelden en bleven twijfelen tussen epilepsie en andere geestesziekten. Zij waren er niet in geslaagd de juiste oorzaak te identificeren.

Naar Zesde Hoofdstuk : Allah is groot