Zevende Hoofdstuk : Het zwaard van Allah

Allicht bevroedden de Mekkanen dat Mohammeds boodschap een bedreiging inhield voor hun tradities, voor de godsdienst van hun vaderen, voor de status-quo. Het werden eindeloze discussies, bedreigingen, en zelfs vervolgingen. Omdat zij spotten met het uitblijven van dat Laatste Oordeel, waarmee Mohammed dreigde, begon hij de rampen, die de tijdgenoten van de vroegere profeten over zich hadden gebracht, levendiger af te schilderen.

Ondertussen kon Mohammed uitsluitend dank zij de bescherming van zijn familie nog in Mekka blijven, maar niet voor lang. Mohammed wordt gedwongen uit te kijken naar een schuilplaats, waar hij zich veilig zal kunnen vestigen als de nieuwe Profeet. Tenslotte vindt hij die in Yathrib. In tegenstelling met de Mekkanen, die handelaars waren, waren de bewoners van Yathrib landbouwers en behoorden ze tot een ander ras.

Yathrib, later Medina genoemd, was een oord dat tegelijk inwendig verdeeld was, - een paar Arabische stammen waren erfvijanden, met name de Aws en de Khazradj - en door jodenstammen bewoond werd. En dat waren zelfs sterke jodenkolonies.

Het is een absoluut onopgehelderd feit dat een voor waanzinnig gehouden man als Mohammed, een mislukt predikant, verworpen door zijn stamgenoten, zoveel aanzien en prestige kon verwerven in een stadje als Yathrib om te bereiken, dat men hem niet alleen belooft hem te beschermen, maar hem zelfs ruime zeggenschap toekent.

Het is moeilijk uit te maken wat juist de diepe redenen en oorzaken waren die Mohammed aan het hoofd brachten van deze gemeenschap. Maar er zijn aanwijzingen. Het is waarschijnlijk dat hij er via moeders zijde relaties had. Hij had daar namelijk ooms.

De Medinezen zouden ook zijn oom al-Abbas hun neef hebben genoemd. Zijn vader overleed er. In feite zou hij dus bescherming gezocht hebben tegen zijn verwanten van vaderszijde te Mekka bij andere verwanten van moederszijde te Yathrib.

Hij stuurde er ook vanuit Mekka getrouwen en gelovigen naartoe. Dat worden de ` muhadjirun', de uitgewekenen. Aanvankelijk zijn het er een twaalftal. Hij had daar dus ook een kern van getrouwen, die diep in hem geloofden en vooraf het terrein hadden voorbereid.

Daarbij kwamen ook nog eens de Helpers (`ansar') uit Yathrib zelf.

Het aantal oorspronkelijke volgelingen van Mohammed was evenwel relatief klein, eerst een vijftigtal, daarna een honderdtal in Abessinië en een driehonderdtal in Yathrib.

Zo sterk was de band met de oorspronkelijke inwoners, dat de Helpers er zich toe verbonden ieder voor een inwijkeling zorg te dragen. (Deze overeenkomst, een broederband, hield stand tot aan de slag bij Badr).

Naast de stamverbondenheid is de fundamentele reden waarom de Arabische inwoners steun zochten bij een typisch Arabische Profeet, misschien het feit dat de joden ze namelijk met de komst van de joodse Messias bedreigden. Men kan begrijpen dat de inwoners van Yathrib blij waren dat ze nu zelf een Arabische Profeet hadden, hun eigen Messias, die hoger stond dan Mozes en Jezus. Bovendien kon Mohammed laten doorschemeren dat de joden hemzelf misschien zouden erkennen als hun Messias, en is dat ook de reden geweest van zijn pogingen om met de joden een overeenkomst te sluiten.

Mohammed wilde wel degelijk als joodse Messias erkend worden. Hij deed daartoe ernstige pogingen. Hij voerde een vastendag (1Oe Moharram) in, in navolging van de vasten van de grote verzoendag, en beperkende voorschriften voor de voeding (verbod om varkensvlees te eten). Maar hij botste, ook al omwille van het feit dat hij geen echte kennis van de Thora bezat, op de spotlust van de joden. Niettemin slaagde hij er in een heel kleine groep te overtuigen dat hij de Messias was. Ze waren bereid zijn eredienst aan te nemen in plaats van die van Mozes. Maar toen ze eens een offer bijwoonden en hem van de kameel zagen eten, bevroedden ze ineens dat hij niet degene was die zij meenden voor zich te hebben. Ze wisten eerst niet goed wat te doen tot ze vernamen dat hij bij de christenen als een valse profeet werd beschouwd. Toen braken ook zij met hem.

Vermits hij zich voorstelde als een nieuwe Mozes, kon hij het zich niet veroorloven zo door de joden afgewezen te worden. Hij beweert daarna dat de joden stukken van de Heilige Schrift geheim hielden en zelfs vervalst hadden.

De joden waren voor hem slechts ezels die nauwelijks goed genoeg waren om de heilige boeken te torsen.

De moslims baden toen nog Thora met het aangezicht in de richting van Jeruzalem gekeerd, (`kibla'). Deze `kibla' werd later (in 624) veranderd ten voordele van Mekka. En dat was de definitieve breuk met de joden.

Het moge duidelijk zijn: Mohammed blijft trouw aan zijn godsdienstig objectief. Hij is in eerste instantie, in het begin althans, niet uit op verovering en macht. Belangrijk voor hem is alleen dat men hem erkent als de Boodschapper van Allah, als de laatste en grootste Profeet. Aangezien de joden hem die eer betwisten, worden zij zijn vijanden.

Vlak voor zijn dood verdoemde hij nog de joden: "God vervloeke de joden die de graven van hun profeten als bedeplaatsen inrichtten".

In het begin vooral was het bestaan in Yathrib armoedig. Mohammed krijgt dan ook de idee om een rijkbeladen Mekkaanse karavaan te overvallen. De nood moet vrij groot geweest zijn, en de weerstand bij de volgelingen tamelijk sterk. Tenslotte waren zij ook Mekkanen van dezelfde stammen en wensten zij geen broedermoord.

Mohammed moet ze aansporen: "Zult gijlieden niet strijden tegen diegenen die hun eden verbroken hebben en het er op aangelegd hebben de Boodschapper te verdrijven en die van het begin af aan tegen u zijn opgetreden?"

In 623 zijn er een paar pogingen om karavanen te plunderen, die evenwel mislukken. Tijdens een heilige maand Radjab, waarin vechten verboden was, zendt Mohammed een kleine groep aanhangers om in Nakhla een karavaan die uit Syrië kwam, te overvallen. Hij is genoodzaakt het eigenlijke doel geheim te houden en geeft verzegelde orders mee aan de bevelhebbers. De niets- vermoedende en weerloze karavaan wordt geplunderd, één Mekkaan wordt gedood. De buit wordt naar Yathrib gebracht tot ontsteltenis van de bewoners, die weerwraak vrezen. Maar men begrijpt ook dat bij de meest ijverige volgelingen het enthousiasme groot was. Einde van de armoede en begin van overvloed aan rijke goederen!

Omdat zijn stamgenoten uit Mekka hem niet willen erkennen, en tegelijk uit nood, - zijn volgelingen moeten ook leven, - gaat Mohammed dus hun karavanen plunderen en hun handel belemmeren. Hij werd daar gediend door een samenloop van omstandigheden.

Door uit te wijken naar Yathrib had Mohammed immers een veilige basis verworven, van waaruit hij met een relatief kleine groep getrouwen aanvallen kon organiseren op de kwetsbare plekken van zijn tegenstanders.

Hij verkreeg tegelijk een goede uitvalsbasis en de steun van een hele gemeenschap.

Er waren ook voldoende slachtoffers beschikbaar die zonder veel moeite konden uitgeschud worden, geplunderd en/of schatplichtig (djizya) gemaakt: en dat waren niet alleen de Mekkaanse karavanen, maar ook de joden.

Omwonende Bedoeïenen-stammen kon men voor de strijd warm maken. En eenmaal dat de spiraal van de oorlog begonnen was, kon men kleine en grote legers verzamelen en slag leveren met wisselend geluk.

De driehonderd aanhangers waren er al gauw meer dan drie duizend geworden. Het succesvol plunderen van rijke karavanen veroorzaakte enthoesiasme en men kon er mee recruteren. Mohammed en zijn volgelingen hadden immers steeds meer inkomsten nodig, en langzamerhand kon hij zelfs een gewapende krijgsmacht op de been brengen.

Toch is dit niet de volledige verklaring van het gebeuren. Om zich door allen te doen aanvaarden te Yathrib was het nodig dat Mohammed zich meer politiek ging opstellen. In een eerste overeenkomst verbonden de inwoners van Yathrib er zich enkel toe hem te beschermen (eerste overeenkomst van Akaba). De eed van verbondenheid verliep helemaal volgens de oud-Arabische gewoonten.

Mohammed ging zelfs zover, - hij die nooit de hand drukte van een vrouw, - twee vrouwen van de `ansar' de hand te drukken.

Zijn eerste benadering is dus een soort humanitaire hulpverlening op basis van stamverbondenheid.

Die zal nadien ontwikkelen tot een heilige oorlog (`djihad').

In de tweede overeenkomst van Akaba en in een soort gemeentereglement voor Medina weet Mohammed zich te doen aanvaarden als de Profeet aan wie alle belangrijke zaken moeten worden voorgelegd. Hij dwingt gehoorzaamheid af aan Allah en aan zijn Profeet. Weigert men die dan dreigt hij met de hel. Het conflict met Mekka blijft hem echter achtervolgen, want daar was hij tenslotte moeten gaan vluchten.

Mohammed heeft ondertussen, zoals gezegd, de `kibla' (de richting van het gebed) veranderd; voortaan zal men niet meer richting Jeruzalem, maar richting Mekka moeten bidden. Hij keert zich daarmee zowel van de joden af als van de christenen. Mekka wordt ook het verplichte einddoel van de bedevaart. En dat wordt de hefboom waarmee hij de erkenning zal afdwingen van zijn vaderstad.

Voorlopig kon hij die slechts treffen in haar handel. En met dat doel sluit hij ondertussen zuiver politieke overeenkomsten met de Bedoeïenen. Deze overeenkomsten behelzen wederzijdse bijstand. De joden, als krijgsmacht, werden er al gauw van verdacht met de vijand te heulen en moesten dan ook geplunderd worden en verdreven. Zijn godsdienstig en politiek doel blijft de Kuraysh en alle anderen te dwingen hem als de Profeet te erkennen.

Mohammed plant daarna een tweede overval, maar hij begaat een flater van formaat. Het zal niet de enige blijven. Er werd van hem gezegd, dat wanneer hij handelde vanuit een openbaring, hij altijd gelijk kreeg; maar wanneer hij handelde zonder openbaring, dat hij er dikwijls naast zat.

De Mekkanen waren natuurlijk op hun hoede, en Abu Sufyan ;, de leider van de karavaan, had lucht gekregen van de komende aanval en had de karavaan afgeleid. Tegelijk had hij ook Mekka gewaarschuwd, waar men van oordeel was dat er een einde moest worden gesteld aan de plunderingen. Mohammed wachtte de karavaan op te Badr (15 maart 624). Maar als hij ze ziet opduiken, is het niet de karavaan, maar een legertje dat driemaal talrijker was dan zijn troepen. De moslims geraken in paniek, maar Mohammed zet door, weet ze aan te vuren, - hij roept ecstatisch, dat iedere man die gedood wordt die dag onmiddellijk toegang krijgt tot het paradijs en dat Gabriël met duizend engelen de vijand overviel, - en behaalt de overwinning.

Mohammed interpreteert dat succes als het duidelijk bewijs van de steun van Allah, die het gewild heeft dat er gestreden werd.

Hij wint door die overwinning enorm aan prestige en wordt de heer van Yathrib. Want wie Mekka kan verslaan, kan ongeveer alles aan.

Eigenlijk moet men die veldslag niet overschatten: er waren zowat 49 ... 70 gesneuvelden bij de Kuraish. Belangrijk was dat praktisch al hun leiders gedood werden, behalve Abu Sufyan.

De Mekkanen kunnen het daar niet bij laten, aangezien Mohammed, aangevuurd door de successen, een hele reeks overvallen uitvoert en de handel van Mekka zwaar hindert.

In het geheel organiseerde Mohammed 82 expedities, aan 26 ervan nam hijzelf deel, 56 liet hij over aan zijn luitenanten. De Mekkanen vormen nog een groter leger (3.000 man) en vallen Mohammed aan.

Hier begaat Mohammed een tweede grote fout. Te Uhud stelt hij zijn leger op aan de voet van de bergflank, ondanks het protest van zijn verbondenen, die zich terugtrekken. Bovendien wordt tegen zijn bevelen in, de zijde van de moslims open gesteld door de boogschutters, die in het geloof dat zij aan de winnende hand waren, zich in de strijd mengen. De Mekkanen maken gebruik van dit voordeel en verslaan de moslims, vooral omdat het gerucht de ronde deed, dat Mohammed gedood werd, terwijl hij slechts aan het hoofd gekwetst was en doorheen een kloof aan de zuid-zijde van de berg vluchten kon (Maart 625). Talrijke moslims (ongeveer 74) sneuvelden, onder wie slechts 4...5 emigranten. De Mekkanen wisten deze overwinning niet te benutten, en besloten, na Mohammed dit lesje te hebben geleerd, terug naar Mekka op te breken. Al werd dit zijn redding, toch was het een zware slag voor Mohammeds prestige.

Om dit weer op te krikken keert hij zich tegen de jodenstam Nadir. Die waren toch al tegenstanders geworden, omdat ze hem belachelijk maakten en heel wat leedvermaak lieten merken over de tegenslag van Mohammed. Men kan zich inbeelden: een Messias die nederlagen leed! Daarenboven was er bij de joden veel buit te halen, waardoor hij tevens zijn leger kon onderhouden en zijn medestanders belonen.

Na enkele weken belegering dwong hij de joden uit te wijken naar Khaibar of Syrie, en alle wapens, alle goud en zilver achter te laten. Mohammed zelf belastte zich met de verdeling ervan. Voor zichzelf neemt hij 20ë van de buit (`khums'). Bij andere gelegenheden neemt hij gewoon alles.

Hij is op dat punt streng: Een heel volk beroven is vroomheid, maar iets achterhouden of wegnemen van de buit is morele verwording, die zo erg is dat zij het eeuwige vuur verdient. Op diefstal staat trouwens een ernstige straf: het afhakken van de handen.

Zo was er de volksstam van Oraina, die niet meer te Medina wilde blijven. De Gezant van God liet ze toe zich naar de kamelen, die voortkwamen van de zakat, te begeven, hun melk en hun urine te drinken. Zij doodden echter de herder en namen de kamelen mee. De gezant van God liet ze achtervolgen. Toen ze voorgeleid werden, deed hij hun de handen en de voeten afhakken, de ogen uitsteken en liet ze achter in de woestijn.

De Mekkanen besluiten intussen in het jaar 5 een groot leger op de been te brengen, wel 10.000 man, en op te rukken naar Medina. Ditmaal wordt het erg voor de stadsbewoners. Gelukkig voor Mohammed waren de Mekkanen geen soldaten en hadden ze geen bekwame legerleiders. De moslims, mogelijk geïnspireerd door de Pers Salman, komen op de idee de wallen van de stad te voorzien van een gracht (`khandak', beëindigd op 31 maart 627) met het doel de aanvallen van de ruiterij te verhinderen. Op zes dagen tijd werd deze gracht voltooid. Iedereen werkte eraan. Zelfs Mohammed in eigen persoon stak de handen uit de mouwen. Hij had evenwel al het koren op de velden reeds geoogst, zodat de Mekkanen met 10.000 man en 600 paarden zonder voeder en bevoorrading vallen. Ze voorzien een lange uitzichtloze belegering in de verzengende hitte en trekken zich terug, alhoewel ze slechts 3.000 tegenstanders hadden.

Tot diep in het jaar 6 zet Mohammed zijn politiek van plunderingen van karavanen en strafexpedities tegen onwillige Bedoeïenen voort. Merkwaardigerwijze is het de bedevaart naar Mekka, die als een paard van Troje zal moeten dienen, om de stad te veroveren.

Mohammed heeft Yathrib blijkbaar gewonnen door hulp en bescherming te vragen tegen de stamgenoten. Nu gaat hij naar Mekka als bedevaarder en sluit een tienjarig verbond af met de Mekkanen. Door Mekka het centrum te maken van de voor de moslims verplichte bedevaart, werd de verovering van Mekka immers een absolute noodzaak. Tegelijk wint hij medestanders in Mekka zelf: wie ziet het financieel en economisch belang voor Mekka als het centrum van de bedevaart niet in?

Mohammed verneemt dat de stemming daar aan 't omslaan was. Hij rukt met een klein leger (1400 man) op naar Mekka, maar dan als bedevaarders. Hij onderhandelt met de Mekkanen om de vrije toegang te bekomen. Zijn onderhandelaar blijft iets te lang weg, en alle troepen zweren te zullen vechten tot het einde, omdat ze denken dat deze vermoord werd.

Deze eed staat bekend als de eed bij de boom.

Toch komt de onderhandelaar tenslotte opdagen, en Mohammed bereikt dat hij weliswaar ditmaal niet toegelaten wordt in Mekka, maar tenslotte als gelijke erkend wordt. Een tienjarige wapenstilstand wordt overeengekomen te Hudaybiya, met de belofte dat hij het volgende jaar op bedevaart mag komen. In de schriftelijke akte van wapenstilstand wilde Mohammed doen opnemen dat hij de Profeet van Allah was, maar hij moest toegeven dat dit niet gebeurde. De akte werd dan ook gesteld in de oude, traditionele terminologie.

Hij heeft zijn hele gezag nodig om zijn troepen te doen gehoorzamen, ter plaatse de offers te brengen en Mekka voorlopig terzijde te laten liggen.

Om zijn ontgoochelde troepen op te monteren gaat hij de joden uitschudden en maakt ze schatplichtig, zodat de moslims rijke lui worden.

In het jaar 7 (mei 628- April 629) neemt hij de vruchtbare oase Khaibar in.

Mohammed was geen groot veldheer of strategisch genie. Tijdens de gevechten bleef hij zelfs gewoonlijk achteraan. Hij werd echter beschermd door de onkunde van de Mekkanen, en het bewijs is er: als hij nadien optrekt tegen de Byzantijnen in het Noorden ( Muta in Oost- Jordanië) lijdt hij de nederlaag. In verscheidene grote veldslagen heeft hij de overwinning slechts op het nippertje behaald dank zij geluk en de inzet van zijn luitenanten.

Door de voortdurende `oefeningen' kregen de meestal jonge troepen en de bevelhebbers ook meer ervaring. Bij de talrijke overvallen hebben ze leren vechten.

Diplomatisch staat Mohammed sterker: oorspronkelijk was in Mekka zijn zaak onverdedigbaar. In Ta'if werd hij uitgelachen. Maar in Yathrib weet hij zich niet alleen te handhaven, hij kan zich zelfs opwerken tot de Heer van Medina. Hij sluit bondgenootschappen met de Bedoeïenen. Hij onderhoudt betrekkingen met de negus van Abessinië. Men is er niet zeker van dat hij ook brieven schreef aan de heersers van de nabijgelegen gebieden, keizer Heraclius ;van Byzantium, aan Mukawkis;, de gouverneur van Alexandrië, en aan de Perzische koning;. Maar men kan het als zeer waarschijnlijk beschouwen, want ook daar wilde hij erkend worden als de Profeet, en dat was voor hem de hoofdzaak.

Hij slaagt er in een tienjarige wapenstilstand te bewerken met de Mekkanen en in maart 629 zelfs als Heer van Medina in Mekka ontvangen te worden.

Zijn huwelijk met de dochter van zijn grootste en machtigste tegenstrever, Abu Sufyan;, vergemakkelijkte natuurlijk de betrekkingen ten zeerste. Men kan zich zelfs afvragen of het Umm Habeiba, de dochter van Abu Sufyan, niet was die Mohammeds politiek met de Mekkanen inspireerde.

Het niet naleven van het verdrag door de Mekkanen levert hem tenslotte het voorwendsel om met een groot leger (10.000 man) naar Mekka op te rukken en na onderhandelingen, zonder slag of stoot, Mekka binnen te trekken en een amnestie uit te vaardigen die de volledige onderwerping van Mekka als consequentie heeft. Het is mede aan zijn gematigdheid te danken, dat hij tenslotte succes oogst. Dat wordt door Aisha als volgt beschreven: "Telkens de Profeet aan de moslims het bevel gaf iets te doen, was hij gewoon daden te bevelen, die voor hen gemakkelijk waren om uit te voeren (volgens hun kracht en uithoudingsvermogen)". "Maak de zaken gemakkelijk voor de mensen, "zou hij gezegd hebben, "baar ze geen moeilijkheden, geef hun goed nieuws en doe ze niet weglopen".

Hij zegt ook zelf, dat men in de oorlog niet te ver moet gaan. Gewoonlijk gaf hij de volgende instructies: "Valt binnen in de naam van Allah en voor zijn zaak, en doodt dezen die niet geloven in Allah. Valt binnen en overdrijft niet door de maat te overschrijden, en bedriegt niet, en doodt geen kinderen". "Doodt geen zeer oude man of een kind of een vrouw. Brengt de buit bijeen, verzoent en doet goed, want Allah bemint diegenen die het goede doen."

Mohammed kan ook vergevingsgezind zijn: bij de begrafenis van Abdallah ben Ubayy, die wel eens kwade dingen had verteld over de Profeet en hem soms ernstig had tegengewerkt, wees men erop dat het niet paste het gebed te zeggen voor een huichelaar.

Hij antwoordde: "Indien ik wist dat door meer dan zeventigmaal te bidden, ik zijn vergiffenis kon bekomen, ik zou niet aarzelen het te doen".

Deze uitspraak herinnert aan een antwoord van Christus aan Petrus: "Toen kwam Petrus naar Hem toe en sprak: `Heer, als mijn broeder tegen mij misdoet, hoe dikwijls moet ik hem dan vergeven? Tot zevenmaal toe?' Jezus antwoordde hem: `Neen, zeg ik u, niet tot zevenmaal toe, maar tot zeventigmaal zevenmaal'".

Het moet gezegd: Mohammed kan zich gedragen als een volmaakt diplomaat. Dat toont hij in zijn beslissingen en in zijn rechtspraak. Al verklaart hij dat de wet van de ` talio', de vergelding, van goddelijke oorsprong is, toch gedoogt hij dat een minnelijke schikking wordt getroffen.

Wanneer een vrouw bij een ruzie een tand had gebroken bij een jong meisje, eiste de familie van het slachtoffer, dat ook een tand zou gebroken worden bij de daderes.

Mohammed besliste, dat de wet van de `talio' moest toegepast worden. Maar toen tenslotte de familie van het slachtoffer akkoord ging om een schadevergoeding te aanvaarden, verklaarde hij: "Bij de gelovigen zijn er die Allah ontslaat van de eden, die zij zwoeren".

Een vreedzame verovering van Mekka brengt niet veel buit op. Hij wendt zich nu tegen het nabijgelegen Ta'if, waar hij ooit uitgelachen werd. Daar lijdt hij bijna de nederlaag in de slag bij Hunain tegen de Hawazinstammen. Zij vielen hem van alle kanten aan en de moslims begonnen allen te vluchten, hoewel hun leger vrij aanzienlijk was: 2.000 Mekkanen en 10.000 helpers en uitgewekenen. Mohammed stond te roepen: "Ik ben de Profeet, kom naar hier". Het hielp niet. Dan vroeg hij Abbas, die een grote gestalte had en een forse stem, beroep te doen op de oud-Arabische stamverbondenheid: "Roep de `ansar', roep de mannen van de boom (die een eed hadden afgelegd bij Hudaybiya), roep de stam van Khazradj". Een honderdtal moslims keerden op gevaar van hun leven terug, hergroepeerden zich, zetten de tegenaanval in en wonnen.

(De versterkte stad Ta'if kon hij niet innemen. Het was eerst ongeveer een jaar later, nadat hij met een leger van ongeveer dertigduizend strijders min of meer succesvol, maar eigenlijk onbeslist, slag geleverd had te Tabuk op de grens van het Byzantijnse rijk, dat de bevolking van Ta'if zich onderwierp.)

Tot grote verontwaardiging van zijn trouwe volgelingen, die niets kregen, deelde hij de buit in Mekka uit ( ta'lif al kulub) aan zijn vroegere tegenstanders, en vooral aan Abu Sufyan, die intussen zijn schoonvader geworden was en zijn medestander. Toch weet hij zijn volgelingen te overtuigen, zo dat ze er zich wenend van ontroering bij neerleggen. - Was dit ook niet de straf wegens hun laf gedrag in de slag van Hunain? - Zij moeten ermee tevreden zijn de Profeet en de koran te hebben, dat is hun voorrecht en hun beloning.

Mohammed zou ook gezegd hebben: "Ik geef aan de Kurayish om hun hart te winnen, want ze zijn nog heel dicht bij het tijdperk van de barbaarsheid".

De twee laatste jaren van zijn leven wordt hij erkend en gevreesd. In zijn tegenwoordigheid mag niemand luid spreken of discussiëren.

Bij gelegenheid van een twist tussen Umar en Abu Bakr wordt dat gereveleerd.

Velen onderwerpen zich, nadat ze daartoe door Mohammed uitgenodigd waren. Bedoeïenen hadden daar zeer goede redenen voor: zo konden ze zich beschermen tegen zijn aanvallen en tegelijk delen in de buit. Ogenschijnlijk worden ze moslims en hangen de islam aan.

In feite was het alleen een politieke onderwerping, die zich uitte in de aanvaarding van Mohammed als de Profeet, en in de aanvaarding van het monotheïsme; van de koran.

De Profeet heeft intussen enkele belangrijke regels geproclameerd: een verbod op de consumptie van alcohol, een verbod op het gokken, een verbod op de consumptie van varkensvlees, of van dieren die stierven of gewurgd werden, of als offeranden aan idolen zijn gewijd.

Opmerkelijk is hier hoe nauw hij aansluit bij de joodse wet.


Overzicht van het leven van Mohammed

Geboorte van Mohammed ± 570
Roeping 610
Begin prediking 612 of 613
Emigratie naar Abessinië 615
Boycot van Banu Hashim; 616-619
Nachtelijke reis naar Jeruzalem 619
Dood van Khadidja 619
Dood van Abu Talib 619
Abu Lahab wordt hoofd van Hashim-clan  
Bezoek aan Ta'if 619
Eerste bekeerlingen van Yathrib 620
Eerste verdrag van Akaba 621
Tweede verdrag van Akaba 622
Toelating om zelf te vechten 622

Medina-periode 24 september 622-632+

Jaar 1
(24 september 622 - juni 623)
Nakhla;
eerste geslaagde overval op karavaan tijdens heilige maand Radjab.
Jaar 2
(juni 623 - juni 624)
Slag van Badr
Verrassing en meevaller voor Mohammed;
Kainuka;
-joden worden onderworpen en verdreven;
Mohammed ruimt tegenstanders op.
Verbond met Bedoeïenenstammen.
Jaar 3
(juni 624 - juni 625)
Overvallen op karavanen:
Mekka stuurt 3.000 man tegen Medina;
Mohammed begaat een fout bij Uhud, wordt gekwetst,
maar wordt niet definitief verslagen.
Mekkanen trekken zich terug.
Jaar 4
(juni 625 - juni 626)
trekt op tegen de Nadir- joden,
die verdreven worden naar Khaibar of Syrie;
Jaar 5
(juni 626 - juni 627)
Mekka stuurt 10.000 man sterk leger;
gracht houdt ze tegen;
keert zich tegen Kurayza-joden die uitgeroeid worden;
Jaar 6
(juni 627 - mei 628)
Huwelijk met Umm Habeiba,
dochter van Abu Sufyan;
Mohammed trekt zelf naar Mekka;
overeenkomst;
wapenstilstand;
verdrag van Hudaybiya;
Jaar 7
(mei 628 - april 629)
Oase Khaibar ingenomen (joden);
bezoek en `umra' in Mekka;
nederlaag tegen de Byzantijnen in Muta.
Jaar 8
(mei 629 - april 630)
rukt uit naar Mekka (december 629), amnestie;
naar Ta'if tegen de Hawazin-stammen;
slag van Hunain.
Jaar 9
(april 630 - april 631)
gezantschappen van onderwerping,
tegelijk weerstand te Medina;
wil naar Noord- Arabië;
slag te Tabuk.
Jaar 10
(april 631 - maart 632)
eerste gereformeerde bedevaart naar Mekka
onder leiding van Mohammed;
vernietiging van de afgodsbeelden.
+ 8 Juni 632.

Zijn dood heeft hij niet voorzien. Nog de laatste maand plant hij zeer actief een tocht, die hijzelf wilde leiden, naar TransJordanië in het Noorden. Tenslotte gaf hij, ondanks ernstige weerstand bij zijn volgelingen, het commando aan Usama, de jonge zoon van Zaid, om zo de dood te wreken van zijn vader, die gevallen was in de slag bij Muta. Hij had toen al een leger van 3.000 strijders verzameld.

De belangrijkste aanleiding voor deze tochten naar het Noorden was blijkbaar de weinig enthousiaste houding van de heersers van de aangrenzende gebieden tegenover zijn schriftelijke eis erkend te worden als de Profeet.

Men kan de hele activiteit van Mohammed samenvatten als volgt:

Mohammed streeft erkenning na, eerst en vooral van de Mekkanen, zijn stamgenoten, daarna van de joden, tenslotte van de omliggende stammen en rijken.

Naarmate hij slaagt worden zijn eisen strenger. Politieke onderwerping alleen is niet meer voldoende, de aanvaarding van de islam wordt essentieel, en dat is voornamelijk de `salat' (het gebed) en de `zakat' (de bijdragen en aalmoezen), die de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid uitdrukken aan Allah en aan zijn Profeet.

Deze `zakat' wekte nogal wat tegenstand. Mohammed was echter onverbiddelijk en hard. Eens weigerden de Banu Tamin de belasting te betalen. Mohammed zond er vijftig Arabische ruiters op af; die namen vijftig mannen, vrouwen en kinderen als gijzelaars mee.

Mohammed bedreigde al wie weerstand bood met vreselijke straffen in het hiernamaals. "Indien enige eigenaar van goud of zilver niet betaalt wat hij moet, dan zullen op de dag van de verrijzenis gloeiende platen voor hem gesmeed worden, verhit in het vuur van de hel. Zijn lenden, voorhoofd en rug zullen verzengd worden. En als de platen afkoelen, wordt alles overgedaan gedurende een dag die vijftig duizend jaar zal duren."

Niemand mag vereerd worden tenzij Allah en Mohammed als zijn Profeet. Dat wordt het grote beginsel van de islam.

Ter gelegenheid van zijn verovering van Mekka worden alle afgodsbeelden vernietigd. Die politiek wordt voortgezet in alle gebieden die door de moslims veroverd worden. Daarom worden zij ervan beschuldigd cultuurvernietigend te werk te gaan en de schuld te dragen voor het teloorgaan van zoveel oude en onvervangbare kunstwerken, al was dat eigenlijk slechts de uitvoering van de wet van Mozes, die uitdrukkelijk gebiedt alle afgodsbeelden te vernietigen.

Deze vernietiging was meer dan een symbolische daad.

Ze werd gevolgd door de uitroeiing van de ongelovigen.

Eerst worden de joden, die met hem spotten, geplunderd en verdreven, daarna uitgemoord - er was geen jood in Medina, die niet bang was voor zijn leven - later schatplichtig gemaakt (Khaibar).

Mohammed geeft uitdrukkelijk het bevel christenen en joden te bevechten.

Afvalligen werden onmiddellijk afgemaakt. Umar zou gezegd hebben: "Het zijn slechts polytheïsten; het bloed van één van hen is als het bloed van een hond". Als hij geraakt wordt door het sarcasme van bepaalde liedjeszangers en poëten, laat hij ze vermoorden ( Asma bint Marwan, een vrouw, en Ka`b ibn Ashraf, een jood).

Zijn politieke leidraad was: nooit een belediging ongewroken te laten. Deze poëten kun je vergelijken met de huidige journalisten. Ze waren bij Mohammed niet geliefd.

Hij engageert nu zelf dichters. Hij wil geleide voorlichting.

Tegenstanders laat hij vanaf 622 uit de weg ruimen: (in juni 625 moord op Safian; in mei 626 wordt Abu Rafi (jood) vermoord in zijn bed; Al Usair, een jood die vanuit Khaibar de Banu Gatafan had opgehitst, werd uitgenodigd bij Mohammed, maar werd onderweg vermoord; in april 627 worden alle mannen van een hele jodenstam, Banu Kurayza, (7-800 man), geëxecuteerd.

Het gedetailleerde verhaal getuigt van een gruwelijke wreedheid.

Mannen en vrouwen werden in afzonderlijke afdelingen voor de nacht opgesloten. Zij brachten die door al biddend... Tegelijkertijd werden er graven en grachten gedolven op de marktplaats... Als die in de morgenuren klaar waren, gaf Mohammed zelf, getuige van de tragedie, het bevel dat de gevangenen in groepjes van vijf of zes tegelijk zouden buitengebracht worden. Elke groep werd bevolen te gaan zitten op de rand van de gracht die hun graf zou worden, en daar werden ze onthoofd. Groep na groep werden ze buitengebracht en in koelen bloede afgemaakt.

Er waren bovendien nog een duizendtal gevangenen. Eén vijfde kwam Mohammed toe, die een aantal slavinnen aan zijn vrienden uitdeelde, en de rest verkocht aan Bedoeïenen in ruil voor paarden en wapens.

Mohammed is zich heel bewust van zijn terrorisme, hij zegt: "Ik werd geholpen door de terreur".

Theophanes, een monnik, die leefde van 752 tot 154 817, en een geschiedenis schreef, bevestigt dit: "Allen kregen schrik, tot in Byzantium toe".

Doorheen heel Mohammeds leven loopt anderzijds ook de rode draad van de stamverbondenheid. In het begin van zijn optreden wordt hij beschermd door zijn familie. In Yathrib vindt hij steun door zijn familiale banden. In Mekka keert hij terug en vindt hij een gunstige onderhandelingsbasis dank zij zijn huwelijk met de dochter van zijn voornaamste tegenstander Abu Sufyan.

Tegenover de Mekkanen is zijn houding dan ook enigszins anders dan tegenover de joden en de christenen, eerst worden de karavanen geplunderd, er wordt gevochten en gedood, maar door het feit dat de Mekkanen hem tenslotte willen aanvaarden, besluit hij hun amnestie te verlenen. Joden waren onverzoenlijk, Mekkanen niet, en de overige stammen onderwierpen zich.

Zijn amnestie voor de Mekkanen, ook voor hen die eens zijn vijanden waren, op voorwaarde dat zij hem erkenden, heeft hem het imago van de groothartige, edelmoedige overwinnaar bezorgd; tegelijk kreeg hij het epitheton van profeet- moordenaar door zijn optreden tegen de joden, tegen ongelovigen en tegen sommige tegenstrevers. Moslims vochten en doodden. Zij gehoorzaamden aan de orders van Mohammed: "Doe alle heidenen verdwijnen uit het Arabische schiereiland".

Er is een merkwaardige evolutie in Mohammeds houding tegenover oorlogvoering. In het begin was vechten verboden, - men moet alles aan Allah overlaten - daarna werd het toegestaan, het werd zelfs verplichtend tegen dezen die de strijd eerst aanbonden tegen de moslims, tenslotte werd het een heilige plicht om alle ongelovigen uit te roeien of te onderwerpen.

Er kan geen twijfel over bestaan, dat Mohammed en Christus op dit gebied parallelle figuren zijn. Merkwaardig is, dat ook het christelijk geloof steeds uitloopt op rellen, opstand en oorlog. Tijdens de middeleeuwen werden de Kruistochten de godsdienstige uitingen bij uitstek, opgevolgd door de Dertigjarige Oorlog, en tonen zij de merkwaardige hefboomwaarde van de godsdienstige ideeën, niet om vrede te stichten, maar integendeel om strijd en oorlog te baren.

De islam maakt geen uitzondering op deze gang van zaken.

Vanaf het begin is er de heilige oorlog, die ook door Christus als resultaat van zijn optreden wordt erkend: Jezus sprak: "Wellicht denken de mensen dat Ik gekomen ben om vrede op de wereld te brengen, en weten zij niet, dat Ik gekomen ben om tweespalt te brengen, vuur, zwaard en oorlog".

De reden is heel eenvoudig: het paranoïde karakter dat deze openbaringen inspireert is de onmiddellijke oorzaak van de haat tegen de ongelovigen. Wie niet gelooft is een vijand en moet vernietigd worden. Het recht om zo op te treden wordt rechtstreeks door God gegeven. Want Hij oordeelt de ongelovigen, die ook de bozen zijn. Ongeloof is de zwaarste misdaad, omdat het de miskenning is van de pretentie van de profeet de enige en volledige waarheid te bezitten. Het is tegelijk een persoonlijke belediging.

De Profeet of Messias heeft die waarheid rechtstreeks van God door inspiratie, visioenen of zelfs directe communicatie. Jezus verneemt bij het Doopsel en op de berg Thabor dat hij Gods zoon is. Hij heeft visioenen in de woestijn. Mohammed verneemt aan de grot Hira dat hij de Profeet is. Zijn boodschap verneemt hij van Gabriël. Wie is zo vermetel zulke waarheden te ontkennen of te bevechten, of de verkondiger ervan uit te lachen?

Doorheen de Profeet staat hij tegenover God zelf en kwalificeert zich als een goddeloze, een huichelaar, een boosdoener. Zulke mensen moeten vernietigd worden.

Dat is het fundament van de ` djihad' of heilige oorlog. Deze is onafscheidelijk verbonden met die visie op de werkelijkheid. Want de Profeet is slechts de spreekbuis van God. Gehoorzamen aan de Profeet is gehoorzamen aan God. Daarom is het niet voldoende alleen maar te geloven, het is niet voldoende de `zakat' te betalen, men moet ook behoren tot de 'mujahidin', de strijders van de heilige oorlog.

Voor elke paranoialijder is al wie twijfelt aan de waan van de geesteszieke een vijand, die moet vernietigd worden. In het boek van Henoch, geschreven door een paranoïde schizofreen, worden alle goddelozen tot het vuur gedoemd, in de Apocalyps, geïnspireerd door een parafreen, worden ze vernietigd, gedood, verbrand, en in de koran, voortgebracht door een lijder aan een symptomatische- paranoïde aandoening, komen alle ongelovigen in het Hellevuur terecht.

Een paranoialijder is meestal razend op diegenen die hem niet geloven. Die razernij horen we doorklinken in de koran: "Laat Mij (Allah) alleen begaan met wie Ik geschapen heb. En aan wie Ik uitgestrekt bezit bezorgd had, en zonen, die bij hem verbleven... Toen verlangde hij, dat Ik zou vermeerderen. Niets daarvan, hij werd tegen Mijn tekenen opstandig. Ik zal hem overstelpen met verguizing. Hij bedacht bedenksels en beschikte eigenmachtig. Zo moge hij gedood worden. Hoe kon hij eigenmachtig beschikken! Nog eens, gedood moge hij worden. Hoe kon hij eigenmachtig beschikken... Daarop fronste hij en grijnsde. Daarop ... verhovaardigde hij zich. Waarop hij zei: Niets anders is dit dan kunstig bewerkte toverij. Niets anders zijn dit (koran) dan de woorden van een mensenkind. Ik zal hem doen braden in Hellehitte".

De heilige oorlog heeft als doel Allahs godsdienst te doen zegevieren totdat hij boven alle andere godsdiensten verheven is.

Men zou kunnen zeggen dat de koran één diatribe is tegen de ongelovigen en de huichelaars, uitgebreider nog dan de rede tegen de Farizeeën in het evangelie van Mattheüs.

"Wie dan wil, laat hem geloven, en wie wil, laat hem ongelovig zijn. Wij hebben voor de onrechtdoeners een vuur bereid, welks tentdak ze omhult. En indien zij om hulp roepen, worden zij geholpen met water als gesmolten metaal, dat de gezichten roostert. Een kwade dronk is dat en een slechte verpozingsplaats."

Het wordt de ongelovigen zeer kwalijk genomen dat zij tekenen en bewijzen vragen; ook de farizeeën vragen Jezus om een teken en worden boos afgescheept.

Mohammed kan niet alle ongelovigen doden. Hij was goed begonnen met het doden van enkele notoire tegenstanders, met een hele stam joden, maar hij moet ingezien hebben, dat dit onbegonnen werk was. Hij verandert dus de politiek tegenover joden en christenen.

Hier geldt later in 't algemeen de regel van de onderdrukking. Alleen moslims hebben politieke rechten. Zij behoren bij de `umma', de religieuze gemeenschap.

Onderworpen joden en christenen zijn de 'dzimmis'. Zij mogen geen wapens dragen, niet op paarden rijden, zij moeten een speciale gordel ( zunnar) (geel voor de joden en blauw voor de christenen) dragen. Zij kunnen niet getuigen voor het gerecht tegen een moslim.

Nieuwe tempels en kerken mogen ze niet optrekken, alleen de oude herstellen. Klokken en bellen zijn niet toegelaten. Ze mogen niets doen dat de moslim zou kunnen storen.

Kortom, er wordt een echte discriminatie op basis van godsdienstige overtuiging door Umar ingevoerd. Mohammed zegt niet: U moet uw vijanden beminnen. Hij zegt: doe hun zoveel kwaad als zij u deden (maar niet meer) en als u ze kunt vergeven, dan zal God u belonen.

Hij neemt wel enige vrijheid met zijn eigen beginselen. Want " de vergelding van hen, die Allah en Zijn Boodschapper bestrijden... is dat zij ter dood gebracht worden of gekruisigd, of dat hun handen en voeten worden afgehakt van weerszijden, of dat zij uit het land verbannen worden".

Naar Achtste Hoofdstuk : Mohammed, Mozes en Christus