Achtste Hoofdstuk : Mohammed, Mozes en Christus

Zowel Mohammed als Christus hebben een immense invloed gehad en hebben die nog op onze beschaving. Beide waren zieken, waarvan de waan aanvaard werd en verspreid door een geloof en een instituut.

Op zich zijn ze geen uitzonderlijke gevallen. Regelmatig duiken er dergelijke profeten of messiassen in de geschiedenis op, regelmatig vinden zij gehoor en slagen er soms in duizenden gelovigen te overtuigen;. De hele bijbel staat vol met dergelijke geschiedenissen.

Schizofrene profeten en geesteszieken determineren het godsbeeld dat in de bijbel aan de gelovige wordt voorgehouden. Voor de koran is het niet anders.

Het is een merkwaardig fenomeen dat pathologische voorstellingen steeds zulke diepe invloed uitoefenen op de massa der gelovigen. Gedeeltelijk is dat te verklaren door het uitzonderlijk karakter van de onthullingen, die allen in naam van het Opperwezen geopenbaard worden.

Velen die Mohammed hoorden, verstijfden van schrik, toen ze het komende oordeel vernamen. Een gelijkaardige rol werd in de christelijke wereld gespeeld door de Openbaring of Apocalyps van Johannes. Bij de eerste christenen was de aankondiging dat de Messias nog dezelfde generatie zou komen een belangrijke stimulans om te geloven en zelfs, ook bij de joden, om in opstand te komen tegen het Romeinse gezag. Tot driemaal toe werd een bloedige opstand geïnspireerd door het geloof in de nakende komst van de Messias.

De rol van de geestesziekte in het ontstaan van godsdiensten moet onderscheiden worden van de factor `spontane godsdienstigheid' tegenover een Opperwezen, dat zo mysterieus en machtig aan de basis ligt van de hele Schepping. Het is de grote geheimzinnigheid van het bestaan zelf en de verborgen zin ervan die de invloed verklaart van de profeten op de grote massa der mensen die geen onderscheid kunnen maken tussen normale en abnormale ideeën en gevoelens. Elke fantastische openbaring nemen zij aan als een bijdrage die iets van de sluier kan oplichten. Elke wet of richtlijn, door de profeten in naam van God uitgevaardigd, wordt als uiteindelijke en absolute norm van elk handelen aanvaard. De gelovigen krijgen daardoor een houvast. Zij moeten daarvoor wel een stuk van hun vrijheid prijsgeven. Meer enthousiasme vertonen zij evenwel naarmate de vrijheid groter blijft.

De rigiditeit van de Wet van Mozes werd gematigd door de wet van Christus (vooral in de Paulinische en Johanneïsche versie), en nog meer door de wet van Mohammed, die alles herleidde tot zeer weinig plichten en tegelijk voor de mannen een grote vrijheid in de seksuele verhoudingen toeliet.

Mohammed, Jezus, Mozes zijn zuivere producten van fundamentele psychische en zelfs psychopathologische mechanismen.

Bij nader onderzoek stoten we telkens op diepte-psychologische factoren: onzekerheid van het vaderimago, compensatie daarvan door de vorming van een ideaal vaderbeeld in de hemel dat de trekken en karakteristieken krijgt van de eigen psyche, meestal getraumatiseerd door de kinderlijke ervaring, bovendien stoten we in het geval van Mohammed op de psychische gevolgen van een hypofysaire tumor.

Geënt op een historische context en een primitieve beschaving, waarin patriarchale gewoonten, autoritaire maatschappijvormen heersen, krijgt het godsbeeld ook alle trekken van de machthebbers van die tijd.

De waan de uitverkorene te zijn, om die God tegenover het volk te vertegenwoordigen, verwekt zo'n een inflatie van het Ego en zo'n narcisme dat elk ongeloof, en vooral elke spot, als een zware belediging van de Godheid (het vergoddelijkte Ego) opgenomen wordt en streng gewroken moet worden door de volledige uitschakeling van de boze, alle bozen. Dat is het thema dat in de bijbel ontwikkeld wordt, door Jezus in het evangelie en de Openbaring, door Mohammed in de koran.

Dat is het beginsel, dat alle wreedheid, iedere heilige oorlog, elke krachtige `bekering' inspireert.

Godsdienst is niet meer overgelaten aan de vrije meningsvorming van het individuele geweten, zo dierbaar aan de Westerse liberale opvattingen, maar is een opgedrongen verplichting op straffe van dood, en terreur tot na de dood. Belangrijk in dat proces is de strikte eis tot volledige overgave, geloof en aanvaarding en tevens het onverzettelijk verwerpen van de redelijkheid en elk kritisch onderzoek.


Besluit : Mensenrechten en vrijheid van godsdienst

Het Westen is erg trots op zijn proclamatie van de rechten van de mens, van de rechten van de vrouw, van de rechten van het kind, en het probeert die op te leggen en in te voeren in die regionen van de aardbol, die daarvan verstoken bleven.

Het ondervindt daarbij de taaiste weerstand vanwege de dominante godsdiensten in alle werelddelen. In de democratische beginselvastheid is steeds de godsdienstvrijheid en de vrijheid van opinie vervat. De vraag is juist of de eerbied voor dat beginsel niet een hinderpaal is voor het succes van de democratisering, omdat de godsdiensten en sekten van dat beginsel juist gebruik maken om hun eigen wet in de plaats te stellen.

Natuurlijk is de democratisering met het beginsel van godsdienstvrijheid reeds een ondergraving van de exclusiviteit van één of andere godsdienst, en bevat dus het gif dat langzamerhand het fundamentalisme moet doden. Maar de vraag is of die indirecte aanpak niet doorzien wordt door de kerkelijke overheden, niet efficiënt bestreden zal worden en tenslotte geëlimineerd.

Misschien is er een meer fundamentele studie en politiek nodig om voorgoed een einde te maken aan het misbruik van de godsdienstige gevoelens van velen. Sayid Quth, de ideoloog van het fundamentalisme, schrijft: "We mogen ons niet in de verlegenheid laten brengen door de aanvallen van de oriëntalisten om ` djihad' in de defensieve zin te interpreteren. Iedereen, die het specifieke karakter van de islam onderkent, zal onmiddellijk begrijpen dat de strijd met het zwaard (`djihad') noodzakelijkerwijze de prediking moet voorafgaan en dat de islamitische beweging geen defensieve beweging is".

In die zin is er geen integratie mogelijk van de islam in een democratisch bestel en in het kader van de Verklaring van de Rechten van de Mens. Godsdienstvrijheid en vrijheid van opinie zijn ondenkbaar voor de islam. Vrijheid van pers al evenmin. Er is ook geen plaats voor tolerantie in dergelijk noëtisch systeem. En in zoverre democratie gebouwd is op tolerantie is er ook geen plaats voor democratie.

Khomeini zei nog onlangs: "We zullen alle sporen van het Westen vernietigen".

In de grond is de democratie of het beginsel van de godsdienstvrijheid een terugkeer naar een soort polytheïsme, omdat alleen de erkenning van het recht van bestaan van vele mogelijke godheden of waarden, en dat is tenslotte de miskenning van de exclusieve rechten van de Ene God, enige tolerantie kan baren.

Een pluralistische samenleving blijft dus een utopie, zolang de islam, het christendom, het jodendom zijn wat ze zijn, zolang de enige God ook de enige waarheid meedeelt, via de koran, via de bijbel, via zijn profeten.

"Het polytheïsme is een zwaar vergrijp", zei Mohammed. Ook voor het christendom zijn tolerantie en vrijheid van opinie eigenlijk ondenkbaar, maar onder druk van de Verlichting en nadien van de secularisatie heeft de Kerk moeten plooien en zich aanpassen.

Het is vooral na de godsdienstoorlogen dat het besef is gegroeid, dat gewapende dwang niets uithaalde, - trouwens wat protestant was, bleef protestant, wat katholiek was, bleef katholiek - en dat het zo niet verder kon.

Dit belet niet dat oorspronkelijk de Kerk, zoals de islam, volkomen intolerant was. Noch de islam, noch de Kerk, konden evenwel volkomen consequent hun politiek doorvoeren. Beiden stootten in de eigen gebieden op de hardnekkige weerstand van de joden, omdat deze ook bezield waren door een intolerante wet van Mozes. Beiden besloten dan maar de joden, die tenslotte een minderheid waren, te verdrukken. En ieder trok zich terug tot een eigen, zo homogeen mogelijk gebied. Zo bleef Noord-Europa protestant, samen met Engeland; Zuid-Europa katholiek, Oost- Europa orthodox. Zuid-Amerika werd katholiek, Noord-Amerika grotendeels protestant.

Gedurende heel de middeleeuwen zien we de logische confrontaties van deze intoleranties: de militaire expansie van de islam en de botsing met het christelijke Europa tijdens de Kruistochten en de verdrukking van de joden. Beide godsdiensten hebben gepoogd alle ongelovigen te `bekeren'. Dat is hun nogal gelukt.

De islam heeft zich als een olievlek verspreid over Noord-Afrika, het Midden- en het Verre Oosten. Met het zwaard kwamen de moslims tot in Spanje en tot aan de poorten van Wenen. Met het zwaard werden ze er verdreven.

Het christendom heeft Amerika en veel later een groot deel van Afrika veroverd, nadat het Westen praktisch volkomen christelijk was geworden.

De `bekering' gebeurde niet altijd met liefderijke overtuigingskracht, integendeel. Meestal stond naast de doopvont de soldaat met getrokken zwaard. Zo werden de Saksen aangepakt door Karel de Grote, zo werden de Indianen in Amerika benaderd, zo werden de ketters tot betere gevoelens gebracht.

Opmerkelijk is dat alle godsdiensten die ontsproten uit de bijbel in wezen intolerant zijn, en dat in tegenstelling met de andere godsdiensten zoals het Boeddhisme, de Grieks- Romeinse godsdienst, het Hindoeïsme. Even opmerkelijk is, dat in de bijbel en in de godsdiensten die eruit ontstonden, het monotheïsme zeer sterk bevestigd wordt, en dat die enige God een zeer actieve rol speelt in de menselijke geschiedenis.

Bovendien ligt het veel meer voor de hand dat geesteszieken zich uitverkoren voelen door die enige God, van Hem een kosmische zending krijgen en zich opstellen in paranoïde waan tegen alle vermeende vijanden van die God en van Zijn wil.

Ik stel mij voor dat de waterstofbom het monopolie zou geweest zijn van één of ander islamitisch potentaat, ik vraag mij af in hoeveel tijd het Westen zich bekeerd zou hebben tot de islam.

Bekering wordt, zoals Mohammed goed begreep, op een bijzondere wijze bevorderd door terreur en winstbejag. Het succes wordt ook bepaald door het feit dat alles heilig is, door God gewild. Dat was de rechtvaardiging van Mozes voor de uitmoording van de bewoners van wat het Heilig Land ging worden, dat was de kreet van de kruisvaarders, dat was de motivatie van de Dertigjarige Oorlog en alle godsdienstoorlogen. Dat was ook een beweegreden voor de ` djihad', de heilige oorlog.

Het is alleen maar krankzinnig, dat het DEZELFDE is, die onder andere namen: Jahweh, Allah, God zichzelf bestrijdt. En dat is een definitief bewijs voor de pathologische oorsprong van dergelijke godsdiensttwisten, zij kunnen maar ontstaan in het brein van geesteszieken.

Het erge is dat zij aanstekelijk zijn en kunstmatig ingeënt worden in zoveel kinderlijke breinen.

Hoe incompatibel de Rechten van de Mens zijn met de essentie van de bijbelse boodschap blijkt uit wat voorafging. "Het Vaticaan", schrijft Kung, "de laatste absolute monarchie in Europa, heeft niet alleen zijn handtekening niet geplaatst onder de Verklaring van de Rechten van de Mens van de Raad van Europa, maar het heeft nog altijd geen stap gezet naar de glasnost en de perestroika".

Men kan inderdaad trachten zand in de ogen van de gelovigen te strooien door ze te doen geloven, dat de Kerk zich inspant voor de eerbiediging van de Rechten van de Mens, dat de islam in de grond tolerant is, dat de joden slechts een stukje eigen land willen waar ze thuis zijn.

Zodra men in alle klaarheid de grondbeginselen en de bronnen van die godsdiensten onderzoekt, weet iedereen dat die zalvende woorden slechts leugens zijn. En dat is des te duidelijker geworden door de brede opflakkering van het fundamentalisme, dat in de islamitische landen de radicale staatshervorming volgens de `shari`a' eist, in Israël het exclusieve joodse karakter van de joodse staat en voor sommigen de terugkeer naar de thora verdedigt, en in de christelijke landen een terugkeer naar het evangelie of een nieuwe catechisatie bevordert.

Deze stromingen zaaien natuurlijk onenigheid, conflicten, oorlogen. Er is geen ontsnappen mogelijk. De mensheid zal de keuze moeten maken: intellectuele en fysische zelfvernietiging of bevrijding van de geest en van de mens. Dat is slechts mogelijk door een radicale ontsmetting van de geesten, een blijvende geesteshygiëne, een ingrijpende opvoeding, die elk fundamentalistisch virus doodt en leidt tot klare probleemstelling en klaar denken.

Tenslotte komt het neer op de moed om tradities in vraag te stellen, om ze kritisch te benaderen, om ze desnoods eens en voor goed te verwerpen als schadelijk voor de mens. De katholieke theoloog Kung heeft gepoogd op een ietwat illusoire wijze een plan te schetsen van een planetaire ethiek, gesteund op een dialoog tussen de godsdiensten. Hij heeft gelijk als hij zegt dat er geen vrede kan zijn tussen de volkeren zonder vrede tussen de godsdiensten. Maar hij vergist zich als hij verwacht, dat de vorming van zo'n ethiek vanzelf zal plaatsvinden en dat er vrede kan komen tussen de godsdiensten zonder dat zij vele voor hen essentiële punten van geloof en moraal zullen moeten opgeven.

Zo'n vredelievende houding zal zeer lang op zich laten wachten. Er is immers nog een ander diepte-psychologisch mechanisme actief: namelijk de `imprinting' of de neurologische verankering van het vader- en het moederbeeld, waaraan het herkennings-, het groet- en het volgreflex gekoppeld zijn. Er is zoiets als een instinctieve trouw aan de familiale en volkse identiteit. Bovendien staat het onbewuste verwerven van allerlei gewoonten, wijzen van aanvoelen, tradities tijdens de kinderjaren borg voor de vanzelfsprekende voortzetting ervan tijdens de volwassenheid. Daarom voelt een christen zich christen, een jood zich jood, een moslim zich moslim. En de grote meerderheid voelt er niets voor om te veranderen. Eenmaal volwassen, en vooral eenmaal de vijftig voorbij, ontwikkelt zij zelfs een latente weerstand tegen ontwikkeling, aanpassing, vernieuwing.

Mohammed formuleert het anders: "Bij de geboorte is elk kind een moslim. Het zijn zijn vader en zijn moeder, die er een jood, een christen, een magiër van maken".

Verandering van gewoonten en tradities vereist ook een grote intellectuele inspanning, een soepelheid van denken, een geestelijke activiteit die de meesten niet meer kunnen opbrengen. Ze zijn vastgeroest en zullen slechts wijken onder dwang van de bitterste noodzaak. Dat geldt dan vooral voor de kerkelijke leiders, die bovendien wegens hun ambt gebonden zijn aan de geldende orthodoxie. Elke verandering schuwen zij als de pest. Bij de christenen werden ketters opgestookt. Volgens de islamitische wet moeten alle afvalligen worden gedood.

Daarbij komt het sociale instinct van de mens, die de eenzaamheid mijdt. Zich éénvoelen met anderen, zijn volks- en geloofsgenoten, zich gesteund voelen door de meerderheid, zich in harmonie weten met de algemene overtuiging is voor velen een rustgevende factor. Oppositie, heldhaftig optornen tegen onbegrip en weerstand, vereenzaming, is niet voor iedereen weggelegd. Jezus en Mohammed, en een aantal profeten, zijn die weg gegaan met het bekende resultaat. Allen werden vervolgd, sommigen gedood.

Instinctief is er nog de drang tot zelfbehoud en de machtswil. Eens dat men een zekere machtsstelling heeft bereikt, wenst men die te handhaven en moet men ze verdedigen tegenover anderen, dat wil zeggen dat men de macht moet nastreven.

Alle godsdiensten hebben een zekere verbreiding gekend en worden gestructureerd door een georganiseerd instituut dat een reële macht vertegenwoordigt. De handhaving van die macht voor de gemeenschap, en vanzelfsprekend voor haar vertegenwoordigers, wordt allicht een doel op zichzelf. Vandaar dat allen de neiging hebben zich op te sluiten in gesloten gemeenschappen, zich op te stellen als egels, alle communicatie van ideeën, elke dialoog te schuwen, vooral wanneer die te fundamenteel wordt.

Het wordt dus dringend tijd de leiders van die gemeenschappen stevig aan te pakken en ze voor hun verantwoordelijkheid te plaatsen, ook als dit ingaat tegen hun kortzichtig eigenbelang.

De confrontatie van het Westen met de islam is dus een bijzonder complex psychologisch gebeuren, dat niet afgedaan kan worden met enkele slogans.

Wij raken hiermee zeer fundamentele tendensen in de menselijke psyche. Het past dergelijke problemen grondig aan te vatten, met de nodige voorzichtigheid, maar ook met de nodige klare gedachten, en gebruik makend van de ervaring die de geschiedenis ons biedt. Het is niet de eerste maal dat er zich diepgaande revoluties voordoen in een relatief kort tijdsbestek. De overgang van heidendom naar christendom, van katholicisme naar protestantisme, van heidendom naar islam, van Ancien Régime naar de Verlichting en de Revolutie, van tsaristische autocratie naar communisme, en weerom van communisme naar democratie, van puritanisme naar de seksuele revolutie, en zo voort, is telkens een ingrijpend proces, dat op een traumatizerende wijze, soms met veel bloedvergieten, zich voltrekt.

De politiek heeft nog maar weinig geleerd en beschikt nog over weinig technieken om deze processen te beheersen, laat staan ze te richten. Vele leidende politici zijn op dit punt amateurs en dilettanten, die doorlopend gevaarlijke beslissingen nemen en bijna nooit ter verantwoording worden geroepen.

Geestelijke leiders zijn meestal nog gevaarlijker, omdat zij inspelen op de onwetendheid en de instinctieve tendensen van de gelovigen om ze tot onverdraagzaam fundamentalisme op te hitsen. Zij zijn een blijvende hinderpaal voor de vooruitgang van de cultuur en de beschaving. Zij zijn de opvoeders niet die de volkeren behoeven.

Naar Bibliografie